https://www.de-Paula-Lopes.nl
GENERATION I
GENERATION II
GENERATION III
GENERATION IV
GENERATION V
GENERATION VI
GENERATION VI bis
GENERATION VI tertium
GENERATION VII
GENERATION VII bis
GENERATION VII tertium
GENERATION VIII
GENERATION VIII bis
GENERATION VIII tertium
GENERATION IX
GENERATION IX bis
GENERATION IX tertium
GENERATION X
GENERATION X bis
GENERATION X tertium
GENERATION XI
GENERATION XI bis
GENERATION XII
GENERATION XII bis
GENERATION XIII
GENERATION XIII bis
GENERATION XIV
GENERATION XIV bis
GENERATION XV
GENERATION XV bis
GENERATION XVI
GENERATION XVI bis
GENERATION XVII
GENERATION XVII bis
GENERATION XVIII
GENERATION XVIII bis
GENERATION XIX
GENERATION XIX bis
GENERATION XX
GENERATION XX bis
GENERATION XXI
GENERATION XXII
GENERATION XXIII
GENERATION XXIV
GENERATION XXV
GENERATION XVIII



Generatie 18 (edelouders)

157208 Rodrigo da Veiga [Gen. 18 Nr.: 157208 & 157272 EDELOUDER]. Rodrigo is overleden.
Hij had geen relatie met
157209 - Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 157209 & 157273 EDELOUDER]. - is overleden.
Bastaard kind uit dit huwelijk:
I. Mestre Tomás da Veiga [Gen. 17 Nr.: 78604 & 78636 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1450 (zie 78636).




 

157210 Abraham ben Eliyahu Senneor [Gen. 18 Nr.: 157210 & 157274 EDELOUDER], Abraham is geboren op 12-10-1412 in Segovia, Reino de Castile. Hij werd gedoopt op 15-06-1492 te Valladolid [van Joods naar Katholiek]. Abraham is overleden voor 20-03-1493, ongeveer 80 jaar oud. Hij is begraven omstreeks 1493 in Monstario del Faral, Reino de España.
Notitie: Regedor de Segóvia, secretário dos reis católicos.

Ook bekend als Fernão Pérez Coronel (!); na zijn bekering tot het Christendom en zijn doop [~de Senior-familie, Sennor of Senor].

'Was a Sephardic rabbi, banker, politician, patriarch of the Coronel family and last Crown rabbi of Castile, a senior member of the Castilian hacienda (almojarife of the Castile or royal administrator). In 1492, at the age of 80, he converted to Roman Catholicism, taking the name Fernão Pérez Coronel, thus founding the noble lineage of Coronel.'




 


Abraham Seneor zou naar verluidt tweemaal gehuwd zijn geweest. Zijn eerste huwelijk was met Violante de Cabrera (zie hieronder) [Gen. 18 Nr.: 157211 & 157275 EDELOUDER]. Het tweede huwelijk was met Myriam bat Abraham Ha-Leví Abulafia.

Toch staat in deze genealogie uit 1631 dat hij met een hofdame Maria Coronel huwde die werkzaam was binnen het paleis.
Er is voor de genoemde vrouwen geen steekhoudende bewijs en derhalve zijn deze niet verder opgevoerd.

Reynes Catholicos maakte van Fernan Perez een rijke burger van Segovia door hem te trouwen met D. Maria, kolonel, vrouwe van zijn paleis, zodat een dergelijke nobele opvolging kon voortduren, en gaf hem vijf rode adelaars als wapen in een zilveren veld, waarvan de middelste doorboord was. [1492]



Reynes Catholicos hizieron a Fernan Perez des a Conso rico Cuidadano de Segovia casandolo con D. Maria coronel dama disupalacio para queenel se continua se tan noble sucesion, y ledio por armas encampo de plata sinco aguilas roxas enaspa la delmedio cornada. [1492]



Abraham Seneor is said to have been married twice. His first marriage was to Violante de Cabrera (see her below) [Gen. 18 No.: 157211 & 157275 NOBLE PARENT]. The second marriage was to Myriam bat Abraham Ha-Leví Abulafia.

Yet this genealogy of 1631 states that he married a lady-in-waiting Maria Coronel who worked within the palace.
There is no cogent evidence for the women mentioned and therefore they have not been included further.

Reynes Catholicos made Fernan Perez a wealthy citizen of Segovia by marrying him to D. Maria, colonel, lady of his palace, so that such a noble succession could continue, and he gave him arms in a silver field with five red eagles, the one in the middle being gored. [1492]












In 1466 verschijnt hij als financier aan het hof van Hendrik IV, koning van Castilië (1454 - 1474). In 1468 komt zijn naam voor als Verhuurder van de Dienst en de Berijding. In de periode 1468-1473 bekleedde hij onder meer de functie van Verhuurder van Tienden van Castilië.

In 1466 he appeared as a financier at the court of Henry IV, King of Castile (1454 - 1474). In 1468 his name appears as Lessor of the Service and the Riding. In the period 1468-1473 he held the position of Lessor of Tithes of Castile, among other things.



Vanwege zijn rijkdom, intelligentie en aristocratische houding was hij zo in de gunst van de Castiliaanse hoogwaardigheidsbekleders dat hij in 1469 erin slaagde het huwelijk van de Infanta (later koningin) Isabella tot stand te brengen met Ferdinand van Aragon.

Because of his wealth, intelligence and aristocratic bearing, he was so in favor with Castilian dignitaries that in 1469 he managed to arrange the marriage of the Infanta (later Queen) Isabella to Ferdinand of Aragon.




 
Het koninkrijk Spanje vindt zijn oorsprong in het huwelijk van Ferdinand en Isabella in 1469. Hun verbintenis en hun heerschappij leidden tot een oorlog die de moderne wereld vormde.

Het huwelijk van Ferdinand II van Aragon en Isabella I van Castilië is een van de meest meesterlijke politieke theaterstukken uit de geschiedenis. Het was verre van een liefdesverhaal, terwijl Ferdinand en Isabella in alle opzichten een hartelijk en mogelijk zelfs gelukkig stel waren; hun verbintenis was de opeenstapeling van honderden jaren Spaanse geschiedenis, door oorlog en intriges gesmeed tot een dynastieke verbintenis die legde de basis voor de moderne Spaanse staat en voor de katholieke vorsten van Spanje.

The Kingdom of Spain charts its origin in the marriage of Ferdinand and Isabella in 1469. Their union, and their rule, triggered a war that forged the modern world.

The marriage of Ferdinand II of Aragon and Isabella I of Castile is one of the most masterful pieces of political theater in history. It was far from a love-story, while, by all accounts, Ferdinand and Isabella were a cordial and possibly even happy couple, their union was the accumulation of hundreds of years of Spanish history, forged by war and intrigue into a dynastic union that laid the foundations for the modern Spanish state and of the Catholic monarchs of Spain.


Henrique IV & Isabella



I
n 1473 nam Abraham Senior deel aan de verzoening van Hendrik IV van Castilië met zijn zus Isabella, de toekomstige koningin, en Ferdinand van Aragon, toen prinsen.

De koningin, wiens vertrouwen Senior genoot, schonk hem, als blijk van dankbaarheid voor de diensten die hij haar had verleend, een levenslang pensioen van 100.000 maravedíes [munt Ibirisch Schiereiland], dat in 1480 werd bevestigd door Hernando do Talavera, haar biechtvader.


In 1473 Abraham Senior took part in the reconciliation of Henry IV of Castile with his sister Isabella, the future queen, and Ferdinand of Aragon, then princes.

The queen, whose confidence Senior enjoyed, gave him, as a token of gratitude for the services he had rendered her, a lifelong pension of 100,000 maravedíes [Ibirian Peninsula currency], which was confirmed in 1480 by Hernando do Talavera, her confessor.


Senior ontving ook de koninklijke benoeming van "rab do la corte" (hofrabbijn - voor welk ambt hij echter, zoals veel van zijn voorgangers, niet de juiste kwalificaties had) en van belastinginner.

In 1476 verschijnt hij als opperrabbijn met jurisdictie van Burgos tot de Zee, in een brief van koning Ferdinand aan de procuratoren van de aljamas, gedateerd 12 maart [Senior ontving ook de koninklijke benoeming van "rab do la corte" (hofrabbijn - voor welk ambt hij echter, zoals veel van zijn voorgangers, niet de juiste kwalificaties had) en van belastinginner].
In 1477, een jaar later, bekleedde hij verschillende functies: Alguacil burgemeester van de Aljamas en Joden van Segovia, rechter rabbijn en hoofddistributeur van alle Aljamas van Castilië, ontvanger van kruiden en alcabala (eerbetoon dat de verkoper betaalde aan de schatkist bij de aankoop en verkoop, en beide contractpartijen in de uitwisseling), van kruiden van de Orde van Alcántara en hoofdontvanger van de dienst van veeteelt.
In 1479 verschijnt hij als verzamelaar en verhuurder van het aartsbisdom Toledo (Castilla-La Mancha).
In 1480 verminderden de Cortes van Toledo 50.000 maravedis van de 150.000 die hij in Segovia had gevestigd.





Senior also received the royal appointment of "rab do la corte" (court rabbi - for which office, however, like many of his predecessors, he was not properly qualified) and of tax collector.

In 1476 he appears as chief rabbi with jurisdiction from Burgos to the Sea, in a letter from King Ferdinand to the procurators of the aljamas, dated March 12 [Senior also received the royal appointment of "rab do la corte" (court rabbi - for which office, however, like many of his predecessors, he was not properly qualified) and of tax collector].
In 1477, a year later, he held several positions: Alguacil mayor of the Aljamas and Jews of Segovia, right rabbi and chief distributor of all Aljamas of Castile, receiver of spices and alcabala (tribute that the seller paid to the treasury upon the purchase and sale, and both contracting parties in the exchange), of herbs of the Order of Alcántara and main recipient of the service of animal husbandry.
In 1479 he appears as collector and landlord of the Archdiocese of Toledo (Castilla-La Mancha).
In 1480 the Cortes of Toledo reduced 50,000 maravedis from the 150,000 he had settled in Segovia.



Aankopen tussen / Purchases between 1480 - 1490



XVIII/157210 Vrijgaven van de katholieke vorsten aan Abraham Seneor, belastinginner van de stad en het district Jerez de la Frontera, om een geldbedrag ten gunste van de III Graaf van Arcos uit de alcabalas [De alcabala of alcavala was een omzetbelasting van maximaal veertien procent, de belangrijkste koninklijke belasting die Spanje in de vroegmoderne tijd oplegde] van de plaats Los Palacios (Sevilla). Origineel. Valladolid, 1481, 28 maart met handtekening van Abraham.


Isabella I en Ferdinand II besloten in 1482 het laatste Moorse bolwerk Granada te veroveren. In 1484 beval een brief van de katholieke vorsten hem als opperrechter van de aljama's van de Joden van Castilië om 16.000 Castilianen te verzamelen, die werden verspreid om de oorlog in Granada te helpen [gelokaliseerd aan de voet van de Sierra Nevada]. Hij hielp de kosten van de militaire operatie te betalen, die leidde tot de inname van Granada in 1492 toen de Moorse sultan Boabdil zich overgaf.

Als beloning voor het afronden van de Reconquista werden Isabella en Ferdinand in 1496 door paus Alexander VI getooid met de eretitel ‘Reyes Católicos’ (Katholieke Vorsten).
Isabella I and Ferdinand II decided to conquer the last Moorish stronghold of Granada in 1482. In 1484, a letter from the Catholic Monarchs ordered him as Chief Justice of the Aljamas of the Jews of Castile to gather 16,000 Castilians, who were dispersed to aid the war in Granada [located at the foot of the Sierra Nevada]. He helped pay the costs of the military operation that led to the capture of Granada in 1492 when the Moorish sultan Boabdil surrendered.

As a reward for completing the Reconquista, Isabella and Ferdinand were decorated with the honorary title 'Reyes Católicos' (Catholic Monarchs) by Pope Alexander VI in 1496.


Aljama Murcia & Lorca

Sedition of the Jewish Aljamas of Murcia and Lorca [Aljama is a term of Arabic origin used in ancient official documents in Spain and Portugal to designate the self-governing communities of Moors and Jews living under Christian rule in the Iberian Peninsula]. This incitement was by request of Samuel Aben Hayon, a Jewish resident of the above-mentioned city of Murcia, so that in the lawsuit they had pending with other Jews of that city, they would not be judged by Don Abraham Seneor, judge of the Hebrews, but before Christian judges; Kings.
Opruiing van de joodse aljama's van Murcia en Lorca [Aljama is een term van Arabische oorsprong die in oude officiële documenten in Spanje en Portugal wordt gebruikt om de zelfbesturende gemeenschappen van Moren en Joden aan te duiden onder christelijke heerschappij leven op het Iberisch schiereiland]. Deze opruiing was op verzoek van Samuel Aben Hayon, een joodse inwoner van de bovengenoemde stad Murcia, zodat hij in de rechtszaak die zij met andere joden uit die stad aanhangig hadden, niet beoordeeld werden door Don Abraham Seneor, rechter van de Hebreeën, maar voor christelijke rechters; Koningen.


Drie jaar later, in 1487, werd hij benoemd tot penningmeester van de Heilige Broederschap, bijgestaan door zijn schoonzoon Meir Melamed. Met de oprichting van Santa Hermandá (1476), gepromoot door Quintanilla, droeg Abraham Senior bij als penningmeester in het jaar 1488. Santa Hermandá Nueva del Reino (de Nieuwe Heilige Hermandad van het Koninkrijk) was als rechtbank in het leven geroepen door de Katholieke Koningen, ten einde misdrijven in afgelegen streken begaan, te bestraffen.

Three years later, in 1487, he was appointed treasurer of the Holy Brotherhood, assisted by his son-in-law Meir Melamed. With the founding of Santa Hermandá (1476), promoted by Quintanilla, Abraham Senior contributed as treasurer in the year 1488. Santa Hermandá Nueva del Reino (the New Holy Hermandad of the Kingdom) was created as a court by the Catholic Monarchs , in order to punish crimes committed in remote areas.




 

1487

Certificaat [20-01-1487] van de katholieke vorsten aan de senior accountants, waarin zij melding maken van de capitulatie met Don Diego López Pacheco [die de kastelen van Xiquena en Tirieza bezat en deze met Moren wilde bevolken], markies van Villena, waarmee zij hem, in equivalent van de stad Riaza, drie miljoen geven, met de aangegane verplichting door Luis de Alcalá, raadslid van Madrid, Don Abraham Senior en rabbijn/burgemeester om hen in naam van de Kroon te betalen.

Certificate [20-01-1487] from the Catholic Monarchs to the senior accountants, in which they mention the capitulation with Don Diego López Pacheco [who owned the castles of Xiquena and Tirieza and wanted to populate them with Moors], Marquis of Villena, with which they give him, in the equivalent of the city of Riaza, three million, with the obligation entered into by Luis de Alcalá, councilor of Madrid, Don Abraham Senior and rabbi/mayor to pay them in the name of the Crown.


Malaqa was het belangrijkste doel van de katholieke vorsten tegen het emiraat Granada, dat gestaag terrein verloor aan de strijdkrachten van de Kroon van Castilië. Koning Ferdinand II van Aragon verliet Córdoba met een leger van 20.000 ruiters, 50.000 arbeiders en 8.000 ondersteunende troepen.

Bij de overgave van Malaga redde Abraham Senior 450 Joden voor 20.000 dubloenen Jayenes; Bij deze operatie trad hij samen op met zijn schoonzoon, rabbijn majoor Meir Melamed, omdat de toegang tot Andalusië toen voor joden verboden was. Zij kregen op 6 juni 1489 door de koning verleend vrijgeleide.
 
De val van Malaqa heeft erin geresulterd dat op 25 november 1491 sultan Boabdil besloten samen met de Spaanse koning Ferdinand en koningin Isabella een verdrag sloot waarin de overgave van de stad Granada werd vastgelegd. Het verdrag leidde tot het einde van het islamitische rijk op het schiereiland. Ferdinand en Isabella voltooiden hiermee de Reconquista.
The fall of Malaqa resulted in the fact that on November 25, 1491, Sultan Boabdil, together with the Spanish King Ferdinand and Queen Isabella, concluded a treaty in which the surrender of the city of Granada was recorded. The treaty led to the end of the Islamic empire on the peninsula. Ferdinand and Isabella thus completed the Reconquista.
 
Malaqa was the main objective of the Catholic Monarchs against the Emirate of Granada, which had been steadily losing territory to the Crown of Castile forces. King Ferdinand II of Aragon left Córdoba with an army of 20,000 horsemen, 50,000 laborers, and 8,000 support troops.

At the surrender of Malaga Abraham Senior saved 450 Jews for 20,000 doubloons Jayenes; In this operation he acted together with his son-in-law Rabbi Major Meir Melamed, because access to Andalusia was then forbidden for Jews, they obtained a safe conduct granted by the king on June 6, 1489.


Reysh Galuta

Don Abraham Senior werd in een brief van 1487 van de joden van Castilië aan de joden van Rome en Lombardije aangeduid als 'de Exilarch' [Hebreews: ריש גלותא‎ Reysh Galuta of Resh Galvata].

De betekenis hiervan is 'Prins van hen in ballingschap'. Dat wil zeggen een titel uit de Babylonische ballingschap van 597-538 voor Christus. De titel was erfelijk in en exclusief voor het Huis van David (zie II Koningen xxv. 27 en I Kronieken iii. 17 ev) maar was een keuze onder de directe mannelijke leden daarvan familie en onder voorbehoud van rabbijnse goedkeuring. Gezien het feit dat de titel nooit lijkt te zijn toegekend aan iemand die volgens de rabbijnse autoriteiten niet van David afstamt is en dat misbruik van een dergelijke titel hoogst onwaarschijnlijk zou zijn geweest, is het redelijk om af te leiden dat Don Abraham afstamde van een van die takken van het huis van David die naar Spanje zijn getraceerd.

In de brief van 1487 wordt Don Abraham aangeduid als 'de Exilarch die over ons heen is'.
Een vertaling van de brief verwijst naar 'de staf van Juda, dat is onze Exilarch'. Als deze vertaling correct is, betekent dit dat de brief een ondubbelzinnige verklaring bevat dat Don Abraham tot de bloedlijn ('staf') van Juda behoorde (dat wil zeggen het koninklijke huis van Juda of het huis van David) * .

* ‘De scepter zal niet van Juda vertrekken, noch de staf van de heerser tussen zijn voeten, totdat eerbetoon aan hem komt; en tot hem zal de gehoorzaamheid van de volken zijn. '' (Genesis 49:10).
Don Abraham Senior was referred to as 'the Exilarch' [Hebrew: ריש גלותא‎ Reysh Galuta or Resh Galvata] in a letter of 1487 from the Jews of Castile to the Jews of Rome and Lombardy.

The meaning of this is 'Prince of those in exile'. That is, a title from the Babylonian captivity of 597-538 BC. The title was hereditary in and exclusive to the House of David (see II Kings xxv. 27 and I Chronicles iii. 17ff) but was elective among the immediate male members thereof and subject to rabbinic approval. Considering that the title appears never to have been awarded to anyone who was not descended from David according to rabbinic authorities, and that abuse of such a title would have been highly unlikely, it is reasonable to infer that Don Abraham was descended from one of those branches of the house of David that have been traced to Spain.

In the letter of 1487, Don Abraham is referred to as 'the Exilarch who is over us'.
A translation of the letter refers to 'the rod of Judah, which is our Exilarch'. If this translation is correct, it means that the letter contains an unequivocal statement that Don Abraham belonged to the bloodline ("staff") of Judah (i.e. the royal house of Judah or the house of David) * .

* “The scepter shall not depart from Judah, nor the ruler's staff from between his feet, until honor comes to him; and to him shall be the obedience of the nations. '' (Genesis 49:10).


In 1490 bekleedde Abraham Senior de positie van 'Recaudador Mayor del Reino' [hoofdverzamelaar van het koninkrijk] en bereikte de hoogste hoogte die een Jood ooit had bereikt in de Castiliaanse vijftiende eeuw.

Hij financierde veel aan het hof samen met Ishaq ben Yehuda, een vrijgevigheid die de vorsten in gedachten hielden, die hem verschillende gunsten verleenden; zo benoemden ze hem hem tot lid van de Koninklijke Raad en hoofdaccountant van prins João.


In 1490 Abraham Senior took the position of 'Recaudador Mayor del Reino' [chief collector of the kingdom] and reached the highest height ever reached by a Jew in the Castilian fifteenth century.

He financed much at court together with Ishaq ben Yehuda, a generosity which was remembered by the princes, who granted him several favors; they appointed him a member of the Royal Council and chief accountant of Prince João.



Spaanse joden pleiten voor koning Ferdinand en koningin Isabella, terwijl grootinquisiteur Tomás de Torquemada pleit voor hun uitwijzing uit Spanje.
Spanish Jews plead for King Ferdinand and Queen Isabella, while Grand Inquisitor Tomás de Torquemada pleads for their expulsion from Spain.


Decreto de expulsión

Toen het decreet dat de joden uit Spanje verdreef (31 maart 1492) algemeen bekend was geworden, haastte Abraham Senior zich naar de koningin en smeekte hij haar om hem te sparen. Dit resulteerde in het feit dat hij toe moest geven aan het verzoek van de koningin dat hij zijn broeders in de steek zou laten. Op 15 juni 1492 werden hij en zijn zoon gedoopt in Valladolid, in het klooster van Santa María Guadalupe in de aanwezigheid van de koning en koningin samen met de kardinaal van Spanje Don Pedro González de Mendoza, aartsbisschop primaat van Toledo, en met de aanwezigheid van de prior van het klooster Fray Nuño de Arévalo. De koning en koningin en de primaat van Spanje waren 'padrinos del bautizu' [peetouders van de gedoopte]. Vervolgens nam Abraham Senior de naam "Fernão Perez Coronel" aan [Fernão ~ de voornaam van de peetvader, Koning Fernando].

When the decree expelling the Jews from Spain (March 31, 1492) had become public knowledge, Abraham Senior hastened to the queen and begged her to spare him. This resulted in him having to give in to the queen's request that he abandon his brothers. On June 15, 1492, he and his son were baptized in Valladolid, in the Monastery of Santa María Guadalupe in the presence of the King and Queen together with the Cardinal of Spain Don Pedro González de Mendoza, Archbishop Primate of Toledo, and with the presence of the prior of the Fray Nuño de Arévalo monastery. The King and Queen and the Primate of Spain were 'padrinos del bautizu' [godparents of the baptized]. Subsequently, Abraham Senior took the name "Fernão Perez Coronel" [Fernão ~ the first name of the godfather, King Fernando].


Het was een glorieuze gebeurtenis in de geschiedenis van de Joodse bekeringen tot het christendom, wat een grote triomf was voor de bekeringspolitiek die door de vorsten werd gepromoot, omdat zij twee zeer invloedrijke Joden uit Castilië waren, wiens getuigenis door anderen kon worden nagevolgd en zo hun vertrek uit Spanje kon voorkomen vóór het verstrijken van de tijd die was vastgelegd in het 'edicto de expulsión' [edict van verdrijving].

It was a glorious event in the history of Jewish conversions to Christianity, which was a great triumph for the conversion policy promoted by the monarchs, because they were two very influential Jews from Castile, whose testimony could be imitated by others and so their departure from Spain could have occurred before the expiry of the time set in the 'edicto de expulsión' [edict of expulsion].



Edict Alhambra [verdrijving] 1492


Los Reyes Fernando e Isabel, por la gracia de Dios, Reyes de Castilla, León, Aragón y otros dominios de la corona, al príncipe Juan, los duques, marqueses, condes, órdenes religiosas y sus Maestres, señores de los Castillos, caballeros y a todos los judíos hombres y mujeres de cualquier edad y a quienquiera esta carta le concierna, salud y gracia para él. ....
KLIK HIER VOOR EEN TRANSCRIPTIE IN HET SPAANS [252 KB] VAN DE VERBANNING VAN DE JODEN UIT SPANJE.

CLICK HERE FOR A TRANSCRIPT IN SPANISH [252 KB] OF THE EXHIBITION OF THE JEWS FROM SPAIN.


KLIK HIER VOOR EEN TRANSCRIPTIE IN HET NEDERLANDS & ENGELS VAN DE VERBANNING VAN DE JODEN UIT SPANJE [248 KB] .

Het Edict werd in de week van 29 april 1492 openbaar gemaakt. Het handvest verklaarde dat het joden niet was toegestaan binnen het Spaanse koninkrijk te blijven. Maar de joden die zich wilden bekeren, waren welkom om te blijven. De macht van het rijke Spaanse jodendom had geen gevolgen. Of een Jood nu rijk of arm was, deed er niet toe, ze moesten zich allemaal nog bekeren of vertrekken.
CLICK HERE FOR A TRANSCRIPT IN DUTCH & ENGLISH OF THE EXHIBITION OF THE JEWS FROM SPAIN [248 KB] .

The Edict was made public during the week of April 29, 1492. The charter stated that Jews were not allowed to remain within the Spanish kingdom. But Jews who wanted to convert were welcome to stay. The power of wealthy Spanish Jewry had no consequences. Whether a Jew was rich or poor did not matter, they all still had to convert or leave.


Hieronder treft u aan een copy van het Register van Koninklijk Besluit van de Katholieke Koning en Koningin op de verdrijving van Joden [31-03-1492 Granada Spanje]. Het heeft twee, goed gedifferentieerde delen: de eerste, met een toelichting met een religieuze rechtvaardiging van de monarchen, ervan overtuigd dat de eenheid van het geloof bevordert de sociale cohesie en bestuur. Het tweede deel bepaalt het vertrekschema, de verkoop van hun goederen en het verbod om meerdere goederen af te nemen.
 
Below you will find a copy of the Register of Royal Decree of the Catholic Monarchs on the Expulsion of Jews [31-03-1492 Granada Spain]. It has two, well-differentiated parts: the first, with an explanation with a religious justification of the monarchs, convinced that the unity of the faith promotes social cohesion and governance. The second part determines the departure schedule, the sale of their goods and the prohibition on purchasing multiple goods.




KLIK HIER VOOR EEN TRANSCRIPTIE IN HET NEDERLANDS & ENGELS [230 KB] VAN DE REACTIE OP DE VERBANNING VAN DE JODEN UIT SPANJE DOOR ISAAC BRAVANEL.
[Edict 29 april 1492]
CLICK HERE FOR A TRANSCRIPT IN DUTCH & ENGLISH [230 KB] OF THE RESPONSE TO THE EXHIBITION OF THE JEWS FROM SPAIN BY ISAAC BRAVANEL.
[Edict April 29, 1492]


In beslagname kostbare goederen 1492

Koning Ferdinand en koningin Isabella van Spanje ondertekenden deze brief op 16 mei 1492 en keurden de inbeslagname van goud en waardevolle goederen van de Moorse joden goed.

King Ferdinand and Queen Isabella of Spain signed this letter on May 16, 1492, approving the seizure of gold and valuable goods from the Moorish Jews.
De koning en koningin aan Don Juan van Ribera,

onze kapitein-generaal van de regio Navarra en onze Raad: Zoals u al weet, hebben we besloten dat alle Moorse Joden die in onze koninkrijken verblijven eind juli hier vandaan moeten vertrekken . Als zomerproblematiek wordt gezegd dat sommigen van hen door Navarra zullen gaan, en voordat ze doorgaan naar andere landen, zou je ons kunnen helpen met onze glorieuze wedergeboorte door te nemen wat ons rechtmatig toekomt - goud, zilver, geld en andere verboden voorwerpen (voor degenen die zich verzetten, kunt u gevaar brengen en letsel toebrengen). We hebben besloten om bepaalde havens aan te wijzen als controlepunten van toegestane voorzieningen en om te voorkomen dat er goud, zilver, geld of soortgelijke schatten doorheen glippen. Ten slotte geven we aan dat u en uw troepen later de mensen door het hele land zullen ondervragen (op een bewaakte manier door gebruik te maken van de Royal Surveillance), om ervoor te zorgen dat de bovengenoemde Joden niet door andere havens gaan met een van de beperkte waardevolle spullen op hun personen. Zorg er tegelijkertijd voor dat onze getrouwe onderdanen die ons dienen, goed worden bewaakt en behandeld en dat er geen schurken of schaden kunnen komen. Uit de stad Granada, 16 mei van het 92e jaar.

Ik de Koning Ik de Koningin

In opdracht van de koning en de koningin, Fernando Alonso
 
The King and Queen to Don Juan of Ribera,

our Captain General of the Navarre region and our Council: As you already know, we have decided that all Moorish Jews residing in our kingdoms must leave here at the end of July. As summer trouble it is said that some of them will pass through Navarre, and before they proceed to other lands, could you help us with our glorious rebirth by going through what is rightfully ours - gold, silver, money and other forbidden objects (for those who resist can endanger and injure you). We have decided to designate certain ports as checkpoints of authorized facilities and to prevent gold, silver, money or similar treasures from slipping through. Finally, we indicate that you and your troops will later interrogate the people throughout the country (in a guarded manner using the Royal Surveillance), to ensure that the aforementioned Jews do not pass through other ports with any of the limited valuables on their persons. At the same time, see to it that our faithful subjects who serve us are well guarded and treated, and that no villains or harm can come. From the city of Granada, May 16 of the 92nd year.

I the King I the Queen

Commissioned by the King and Queen, Fernando Alonso


Merced uit het kantoor van hoofdaccountant van de rekeningen van Prins Don Juan ten gunste van Fernando Pérez Coronel, gouverneur van Segovia en de Koninklijke Raad 23-06-1492





Regiment van Segovia ten gunste van Fernán Pérez Coronel, van de Koninklijke Raad, vecino van die stad, omdat hij ontslag had genomen bij Don Juan de Cabrera [02-07-1492].


Bevestiging van de verkiezing van Fernand Pérez Coronel, van de Koninklijke Raad, voor de functie van gouverneur van Segovia, van de lijn van don Día Sánchez, en wordt door de raad gekozen vanwege het aftreden van Don Juan de Cabrera [20-11-1492].


Hierboven een Vlaams wandtapijt van 205 x 273 cm, geschonken door Don Abraham Senior aan koningin Isabella van Castilië in 1492 na zijn bekering tot het christendom; het betreft oudste wandtapijt in de Spaanse koninklijke collectie (Koninklijk Paleis van La Granja de San Ildefonso, Segovia).

Above, a Flemish tapestry measuring 205 x 273 cm, given by Don Abraham Senior to Queen Isabella of Castile in 1492 after his conversion to Christianity; This is the oldest tapestry in the Spanish royal collection (Royal Palace of La Granja de San Ildefonso, Segovia).




Op zijn beurt ontving Fernán (Abraham Senior) bijzondere zaken, waaronder deze Kennisgeving van privileges en Spaanse adel "hidalguía" als Fernán Pérez Coronel.

In turn, Fernán (Abraham Senior) received special things, including this Notice of Privileges and Spanish nobility "hidalguía" as Fernán Pérez Coronel.
Carta de traslado de privilegios e hidalguía de Fernán Pérez Coronel (Abraham Senior). Conservada en el Palacio de los Olvidados


Sbraham Seneor [1488] Fernán Pérez Coronel [1492]


Alão de Moraes vertelt dat de familie die hij heroprichtte, de Coronéis, een familiewapen opnam met een schild met vijf steenarenden, op een blauw veld. Aanvankelijk had hij een ander zegel die hiernaast staat afgebeeld.

Hij werd tot ridder benoemd, met de privileges waarvan hij en zijn nakomelingen werden erkend als edellieden [de um feudo notório pela vingança de 500 sodos].

Zijn bekering werd hem niet in dank afgenomen door de Joodse bevolking. ZIj refereerden naar hem als zijnde < 'Sonei Or' ~hij die het licht haat > !

Alão de Moraes tells that the family he refounded, the Coronéis, adopted a family coat of arms with a shield with five golden eagles, on a blue field.
Initially he had a different seal shown here.




 

He was made a knight, with the privileges of which he and his descendants were recognized as noblemen [de um feudo notório pela vingança de 500 sodos].

His conversion was not appreciated by the Jewish population. They referred to him as being <'Sonei Or' ~he who hates the light>!




 

De Coronel familie was oorspronkelijk een uitgestorven adelijke Portuguese naam en werd weer aangenomen door Abraham Seneor, bij diens [gedwongen] doop op 15-06-1492 op 80 jarige leeftijd en waarbij hij zijn familienaam moest veranderen in Coronel en feitelijk daarmee zich liet bekeren tot het Christendom vanuit het Jodendom. Zijn volledige naam werd Fernão Pérez Coronel.

Ook het familiewapen van de Coronel familie werd overgenomen, echter in plaats van een rood veld werd deze blauw.


Diego Hernández de Mendoza; Aparecen citas textuales del Libro de armería; los Coroneles (descendent de don Habran Senor, juif baptisé l’an mil iiiic xiii)

Er verschijnen tekstcitaten uit het wapenboek; de Colonel's (afstammeling van don Habran Senor, een Jood gedoopt in het jaar iiiic xiii)
 
In zijn heraldiekboek vertelde Diego Hernández de Mendoza met nauwgezette trouw de feiten, de manier waarop de meest beruchte jood van Castilië, Abraham Seneor, samen met zijn schoonzoon Meír Melamed, christenen werden en deel gingen uitmaken van de Castiliaanse adel, door hen een afstammingslijn toe te wijzen waarvan de vorige houders waren uitgestorven. Maar de tekst heeft meer inhoud dan de letterlijkheid zelf.

Natuurlijk wist iedereen in zijn tijd, tenminste degenen die het moesten weten, wie Seneor was, maar we moeten de geschiedenis waarin hij speelde reconstrueren om de oorzaken te begrijpen die de katholieke vorsten ertoe brachten hem zo'n hoge onderscheiding te verlenen.
 
En su libro de heráldica Hernández de Mendoza relataba con escrupulosa fidelidad loshechos, la forma en que el judío más notorio de Castilla, Abraham Seneor, junto con suyerno Meír Melamed, se cristianaron y pasaron a formar parte de la nobleza castellanasiéndoles asignado un linaje cuyos anteriores titulares se habían extinguido. Pero eltexto tiene más sustancia que la propia literalidad.

Desde luego en su tiempo todo el mundo sabía, al menos quienes tenían que saberlo, quién era Seneor pero nosotros precisamos reconstruir la historia que protagonizó para entender las causas que llevarona los Reyes Católicos a concederle tan alta distinción.




"Ay agora otros Coroneles nuebamente, lo qual fue de esta manera: los reyes nuestros señores don Hernando y doña Ysabel en el año del Señor deI mil CCCCXCIII [sic] años mandaron salir de todos sus reynos todos los judíos, y avía en Segovia dos judíos muy famosos y muy rriquísimos; al uno dezían don Habrahan Senior y al otro rrabí Mayr los quales a rruego de los señores reyes se tornaron christianos y el rey les dixo que por quanto este linaje de los Coroneles era perdido que lo tomasen, y así se hizo".
 
"Nu zijn er andere nieuwe Colonel's, en dat was op deze manier: de koninklijke hoogheden don Hernando en doña Ysabel in het jaar van de Señor van duizend CCCCXCIII jaren [1493] bevallen alle joden om binnen al hun koninkrijken, deze te verlaten, en er waren nog steeds twee in Segovia zeer beroemde en zeer rijke joden; de ene noemden ze Don Habrahan Senior en aan de andere Rabbi Mayr, die op verzoek van de koninklijke hoogheden christenen werden en de koning stelde hen dat aangezien deze lijn van de Coronel's was uitgestorven, ze deze naam zouden moeten aannemen, en zulks geschiedde".




Nobleza

*'El 25 de julio de 1492, según Carta Ejecutoria de Hidalguía, se le permitió acceder a la nobleza, extendida a sus descendientes, por vía masculina y femenina.'




 
*Op 25 juli 1492 kreeg hij volgens de Executory Letter van Hidalguía toegang tot de adel, uitgebreid tot zijn nakomelingen, via mannelijke en vrouwelijke lijnen.
 
*On July 25, 1492, according to the Executory Letter of Hidalguía, he was granted access to the nobility, extended to his descendants, through male and female lines.








Het huis van Abraham Senior in Segovia, werd in 1902 omgevormd tot een Franciscaans klooster en kreeg de naam Centru Didácticu de la Judería.

Abraham Senior's house in Segovia was converted into a Franciscan monastery in 1902 and named Centru Didácticu de la Judería.


Geheime / secret synagoge Abraham Senior!



 
Op verzoek van de raden van Segovia krijgt de burgemeester van genoemde stad de opdracht persoonlijk kennis te nemen van de schulden die de Joden – op het moment dat zij het koninkrijk verlieten – aan andere mensen hadden nagelaten, over wie was bevolen dat deze werden met succes vrij verklaard, een zaak die in principe – samen met het co-register – werd toevertrouwd aan Fernand Pérez Coronel, en na zijn dood [>1493] aan Ponce de Cabrera, beschuldigd van het begaan van grieven en schadevergoedingen tegen de boeren van het land.


Bienes de judíos hijos del difunto Hernán Pérez

In 1493 erfden de kinderen van Abraham / Fernando, waaronder Íñigo López Coronel, hun positie in de commerciële samenwerking met Luis de Alcalá en Mayr dat de algemene curatele van de Castiliaanse Koninklijke Schatkist en de verhuur van verschillende inkomens beheerde.

Bienes de judíos hijos del difunto Hernán Pérez Coronel
Diego Ruiz de Montalvo, corrector van Segovia, zodat hij niet uitvoert op de activa van de Judeo-bekeerlingen Juan Pérez Coronel en Inigo López [Pérez Coronel ~Mercader converso, regidor de Segovia], zonen van wijlen Hernán Pérez Coronel, die opperrechter was van de Joden van Segovia.

Activa van Joodse kinderen van wijlen Hernán Pérez Coronel


Carta de Poder

 
Jerez de la Frontera en Camona a 1494

Carta de poderes de Fernando Pérez Coronel y Fernando Núñez Coronel dando el derecho a Gonçalo Baço, recaudador, de vender y recibir censos y otros heredamientos en Jerez de la Frontera y su partido con la villa de Carmona. Tratándose en realidad de la liquidación de los bienes de los Seneor en Jerez de la Frontera y Carmona en 1494.



Jerez de la Frontera en Carmona in 1494.

Een beschrijving van de procedure [liquidatie] die in 1494 door de tollenaar, don Gonzalo Blaço, werd uitgevoerd op de eigendommen van don Abraham Seneor [na diens overlijden], zijn zoon Salomón en zijn schoonzoon rabbijn Meir Melamed in Jerez de la Frontera en Carmona.


Commissie voor de licentiehouder van Pedrosa, van de Consejo, en de licentiehouder van Coalla, hoofdaccountant, op verzoek van Fernand Núñez Coronel , van Luis de Alcalá, en van Juan Pérez en Iñigo López, laatste zonen van Fernand Pérez Coronel , overleden, om problemen en eisen tussen hen op te lossen, wat er ook gebeurt met een factor of persoon die ertegen pleit [04-09-1495 Tarazona].


Voorrechten van Juan Pérez Coronel en Íñigo López Coronel [15-10-1495]


In dit document, geschreven op 16 juni 1500, geeft Sancho de Paredes, de kamerheer van de koningin Isabella, de opdracht om te betalen voor het scheren en maken van kleding voor de Moren (moslims) die christenen werden.
Dit manuscript somt de verkopers en materialen op die gebruikt kunnen worden voor kleding voor degenen die zich tot het christendom hebben bekeerd.

Koningin Isabella I ondertekende het manuscript met ‘Yo la Reyna’ en het bevat haar rubriek of merkteken. De secretaris van de koningin, Gasper Ochoa de Isasaga, ondertekende het document ook.
 


Monasterio de Santa María del Parral

Monasterio de Santa María del Parral herbergt de kapel van Golgotha van de familie Coronel, en bevat het graf van Abraham ben Eliyahu Senneor / Fernão Pérez Coronel.
Monasterio de Santa María del Parral houses the Chapel of Calvary of the Coronel family, and contains the tomb of Abraham ben Eliyahu Senneor / Fernão Pérez Coronel.


Hoofdaltaarstuk en delen van de cenotaven van de kerk van "Monasterio de Santa Maria del Parral"


Het klooster van Santa María del Parral herbergt nog steeds “Capilla del Descendimiento” van de familie Coronel, en bevat de graven van Fernão Pérez Coronel [Abraham Seneor].

“Fernão Pérez Coronel hizo en este monasterio una rica capilla que se llama del Crucifixo e la doto de diez mil de juro en su testamento porque rogasen a Dios por su alma”

“Fernão Pérez-Colonel heeft in dit klooster een rijke kapel die het Kruisbeeld wordt genoemd en hij geeft tienduizend rente in zijn testament omdat hij tot God bidt voor zijn ziel”
Het Jerónimo-klooster van Santa María del Parral bevindt zich in Alameda, aan de voet van de zogenaamde “Peñas Grajeras” en met uitzicht op de rivier de Eresma. De kapel gesticht door Ferná0 Pérez Coronel, genaamd “Capilla del Descendimiento” of “del Crucifijo”, is de tweede aan de linkerkant vanaf de ingang van de kerk.
De deuropening van de kapel, uitgehouwen in witte kalksteen, wordt ondersteund dooreen conopiale boog [aan de kant van het evangelie].


 


Fernáo Pérez Coronel verzorgde de architectonische aspecten van de "CHAPILLA DEL DESCENDIMENTO"
Het wapenschild van de boog werd op de sleutsteen van de boog geplaatst.
Op de binnenmuren van de kapel zijn drie lucilles bewaard gebleven, die bedoeld waren om de graven van de familie Colonel te huisvesten.
Op de muren openen drie cenotaven, allen verssierd met cardina's [~ een cenotaaf is een grafteken dat al sinds de klassieke oudheid wordt opgericht ter nagedachtenis aan overledenen van wie het stoffelijk overschot elders verkeert of onvindbaar is. Een cenotaaf werd vaak aangebracht in de wand van een kerk].


Hoewel de ruimte rechthoekig en uniek is, ontstaat er een boulevard die een vierkant gedeelte definieert, afgesloten met een stervormige boulevard met twee punten, in tweeën gedeeld door een fajón, en een rechthoekig en smal gedeelte met een boulevard van driehoekige gedeelten die een middelgrote zeshoek; alsof er een kleine kerk was behandeld.

De kapel wordt verlicht door een raam aan de Noord-muur, met een spitsboog en glas van Muñoz de Pablos, en een soortgelijke boog aan de andere kant, half verborgen door het maaswerk van de schuine hoek, en open naar de kapel vanuit Heredia.



Een kleindochter van Fernão Pérez Coronel, Maria Coronel, heeft in haar 2e testament, met haar handtekening, waarbij haar bezittingen onder haar kinderen worden verdeeld, gedateerd 9 april 1531 in Segovia, haar voornemen bekrachtigt om begraven te worden in het pantheon van de Coronel familie, bij haar moeder, in het Parral-klooster van Segovia ~hiermee ook weer het bewijs van het bestaan van het kapel en de de familiebanden]. Zij was de dochter van Íñigo López Coronel [broer van Constança Coronel].




Interieur van de Monasterio de Santa Maria del Parral en de kapel van Don Ferñao Pérez Coronel met in het raam het gebrandschilderde familiewapen.

Interior of the Monasterio de Santa Maria del Parral and the chapel of Don Ferñao Pérez Coronel with the stained-glass family coat of arms in the window.


Nazaten van Fernão Perez Coronel zouden zeer vermogend zijn en diverse kastelen bezitten en gingen tot de adel behoren. Mede hierdoor waren er onderling vele huwelijken binnen de familie.




Hij trouwde, in Sevilla, Andalucia, Reino de España, met
157211 Violante de Cabrera [Gen. 18 Nr.: 157211 & 157275 EDELOUDER]
Note:
Het betreft het eerste huwelijk van haar man. Het tweede huwelijk was met Myriam bat Abraham Ha-Leví Abulafia.
De afstamming van Violante staat toegeschreven aan de Cabrera familie. Men heeft binnen die genealogie een Violante gevonden ten tijde van Abraham, opvallend genoeg dat zij dan 20 jaar jonger zou zijn. Er is geen steekhoudende bewijs dat het gaat om de vrouw van Abraham. De tak is derhalve niet opgenomen in deze kwartierstaat. Daarom hieronder de bronnen en vermeldingen van Violante. De Cabrera familie was hoe dan ook geligneerd aan diverse adelijke takken binnen het spaanse domein.



Violante de Cabrera, vernoemd naar haar grootmoeder, Violante de Prades; blijkbaar 3e nicht van Andrés de Cabrera (1430-1511), 1e markies van Moya; nicht in de tweede graad van Margaret de Prades, koningin van Aragon. Ze was ook een nicht van koning Ferdinand II van Aragon, wat betekent dat haar kinderen neven en nichten van koning Ferdinand zouden zijn geweest door hun gemeenschappelijke voorouder, Ponce II de Cabrera. Dit kan verklaren waarom de koning peetvader werd van Don Abraham en zijn kinderen. Het een en ander is uitgewerkt door Graham Milne in 2013 [klik op de afbeelding hierboven].






Kinderen uit dit huwelijk:
I. Constança Abraham Coronel [Gen. 17 Nr.: 78605 & 78637 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER]
, geboren omstreeks 1450 (zie 78605 & 78637).
157272 Rodrigo da Veiga [Gen. 18 Nr.: 157208 & 157272 EDELOUDER]
(dezelfde als 157208). Hij trouwde met
157273 - Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 157209 & 157273 EDELOUDER] (dezelfde als 157209).
157274 Abraham ben Eliyahu Senneor [Gen. 18 Nr.: 157210 & 157274 EDELOUDER] (dezelfde als 157210).
Hij trouwde in Sevilla, Andalucia, Reino de España met
157275 Violante de Cabrera [Gen. 18 Nr.: 157211 & 157275 EDELOUDER] (dezelfde als 157211).



157280 Gonçalo de Sequeiros [Gen. 18 Nr.: 157280 EDELOUDER]. Hij is overleden na 1457.
Notitie: Gonçalo de Siqueiros, woonachtig in Gondufe, heer van Torre en Paço de Sequeiros in Gondufe en Couto da Várzea in het hof van Penella, dat hij verkreeg via verschillende landgoederen in twee districten Gimieira en Beiral de Lima.

Gelegitimeerd door koning D. João I in 1427 voorheen, "vazal van El-Rei".



 
João I, Rei de Portugal; Carta de legitimação de Gonçalo Eanes de Sequeiros, de a par de Ponte de Lima, filho de João Gonçalves, clérigo de missa e abade da Igreja de Santa Eulállia, e de Margarida Gonçalves

escrito/a Lisboa 1427-09-22

Refere: João Gonçalves, clérigo de missa
Refere: Margarida Gonçalves


Hij kreeg een gratiebrief [zolang hij in Cueta had gediend] van D. Afonso V, omdat hij een buurman had vermoord! Ceuta, in Marokko: Sebta, is een Spaanse exclave, militair steunpunt en vrijhaven aan de Noord-Afrikaanse kust. Een autonome stad behorende tot Spanje, op een schiereiland bij de Straat van Gibraltar.

Carta régia de perdão a Gonçalo de Sequeiros, vassalo do rei e morador no Bural, termo de Ponte de Lima, por ter matado Pedro Gil, contanto que sirva três anos em Ceuta, os dois primeiros à sua custa e o último à custa do rei. Lisboa

1456.12.28 – Chancelaria de D. Afonso V, lv. 13, fl. 78




 









Sequeira familiewapen




Paco de Sequeiros


Hij trouwde met
157281 Brites Afonso Soares de Albergaria [Gen. 18 Nr.: 157281 EDELOUDER].
Notitie: Afkomstg uit Soares do Outeiro de Poldros. Brites Afonso Soares de Albergaria; bewijs hiervoor is de genealogie van haar man en het wapen dat een van haar nakomelingen voert!
Kind uit dit huwelijk:
I. Martim Gonçalves de Sequeiros [Gen. 17 Nr.: 78640 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER] (zie 78640).




 



Er is enige discussie over de achternaam van Brites Afonso. Volgens de genealogie Siqueiros hierboven gaat het hier om Brites Afonso Soares de Albergaria!

Dit lijkt te kloppen op basis van het familiewapen van CRISTÓVÃO SOARES DE ABREU. Hij was de zoon van Francisco Soares de Abreu, een inwoner van Ponte de Lima en D. Luísa Brandão, een inwoner van Brazilië, de kleinzoon van Vasco de Sequeiros en D. Inês Soares de Morim, achterkleinzoon van Gonçalo de Sequeiros de Abreu en Maria Amorim, die de zoon was van Martim Gonçalves de Sequeiros en Brites de Abreu; de zoon van Gonçalo de Sequeiros en Brites Afonso [Soares de Albergaria]!

Het wapen bestaat uit de verschillende schilden van de families Sequeiros [5 schelpen] / Soares de Albergaria / Abreu [5 vleugels]


157282 Álvaro Vaz de Abreu [Gen. 18 Nr.: 157282 EDELOUDER], geboren in Talharezes, Ribeira, Ponta de Lima, Reino de Portugal.
Notitie: Fidalgo [Edelman] dos Abreus da Grade; Álvaro de Abreu

Álvaro was van Quinta de Talharezes in Ponte de Lima, volle broer van Diogo Gomes de Abreu, heer van Regalados.

Adres: Woonachtig in Valença do Minho & Talharezes.
Beroep: Rechter in Valença do Minho




 
Casa do Eirado em Valença; De eerste eigenaren van dit huis waren de familie “Abreu da Grade”


Op 09-05-1441 ontving hij roerende en onroerende goederen gelegen in Santarém en andere delen van het koninkrijk, geconfisqueerd uit de boedel van koningin Leonor!


Benoemd middels koninklijk besluit van 22 augustus 1443 tot Rechter in Valença do Minho van burgelijke akten en misdaden.


Bij de uitoefening van deze functies verkreeg hij bij koninklijke brief van 10 maart 1444 het maandsalaris van 600 witte reais. De helft van het salaris werd betaald op basis van de pachten van het pakhuis van Ponte de Lima en de andere helft kwam uit de pachten van die gemeente.



Een testament opgemaakt, goedgekeurd op 28-09-1485.



".....Álvaro de Abreu fidalgo [edelman] aan alle vier de kanten, geboren in Talharezes, in de parochie van Ribeira, in de gemeente Ponte de Lima, bij het hof van Juiz de Fora in Valença do Minho, rond het midden van de 15e eeuw...

In zijn testament, goedgekeurd door notaris Álvaro Dias op 28 september 1485 en gevonden in het register van het gemeentearchief, uit de jaren 1693 tot 1700, pagina's 95 en 96, zegt:
 
« Alvaro d'Abreu schildknaap, woonachtig in Talharezes. ... Ik geef mijn bevel en mijn testament op de volgende manier op en zeg dat aangezien ik rechter was in de stad Valença do Minho waar ik woonde en er twee mannen in de gevangenis zaten waarvan ik niet wist waar ze waren waaruit ik bepaalde goudstukken vond waar ik tegen hen en tegen hun wensen was, en mijn biechtvaders gaven mij de opdracht om een ​​aantal dingen voor hun zielen te bevredigen met verdienstelijke werken. ... met de voorwaarde dat de broeders elk twee missen opdragen in het genoemde klooster jaar...


Hij trouwde met
157283 Maria Rodrigues Pacheco [Gen. 18 Nr.: 157283 EDELOUDER], geboren in Viana do Castelo, Reino de Portugal.
Kind uit dit huwelijk:
I. Brites (Beatriz) Afonso de Abreu [Gen. 17 Nr.: 78641 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER] (zie 78641).




 

201728 Borre Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 201728 STAMEDELOUDER].
Hij trouwde met
201729 - Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 201729 STAMEDELOUDER].
Kind uit dit huwelijk:
I. Goirt (Goe) Borren [Gen. 17 Nr.: 100864 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER] (zie 100864).
204928 Hermann Hilling [Gen. 18 Nr.: 204928 EDELOUDER]
, geboren omstreeks 1385 in Niederlangen-Hilgen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Notitie bij de geboorte van Hermann: Geboren um 1385
Hermann is overleden na 1426 in Niederlangen-Hilgen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 41 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Hermann: Gestorben nach 1426, urk. 1422-1426
Notitie bij Hermann: Beerbter, 1422 wird Hermann Hilling mit dem Halberbe Obingehove -nun Manyng Erbe- in Aschendorf durch den Bischof von Münster belehnt wie vorher schon sein Vater Godeke Hilling. Die Belehnung wird 1426 erneruert
Religie: Katholiek
Hij trouwde met:
204929 N. N. [Gen. 18 Nr.: 204929 EDELOUDER]. N. is overleden na 1415.
Kind van Hermann en N.:
I. N. Hilling [Gen. 17 Nr.: 102464 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER] (Zie 102464)



205248 Engelbert I von Langen [Gen. 18 Nr.: 205248 EDELOUDER], geboren omstreeks 1385 in Ravensburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Engelbert: Geboren um 1385
Engelbert is overleden circa 1449 in Ravensburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 61 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Engelbert: Gestorben nach 1442, urk. 1400-1442, 1446 tot.
Notitie bij Engelbert: Burgmann,
1400 Mitbesitzer der Fischerei auf der Ems bei Mehringen, nach dem Tode des Vaters Erbe des Bur- und Holzgerichtes über die Mehringer und Hemelter Mark,




 

1423 von Bf. Otto v. Münster belehnt mit dem Hof Godinck in Herbrum, dem Zehnten zu Niederlangen, den Zehnten zu Klein-Stavern, den Zehnten von Apeldorn, 1/4 des Zehnten zu Oberlangen, dem Zehnten zu Dörperbauerschaft und den Zehnten zu Gersten, Ksp. Lengerich
1426 Burglehen zu Fresenburg und des Erbes Poteshaus/Emen,
1427 Kauf der Kreyenburg von Johann von Langen gen. Kreyenribbe,
1427 von Bf. Johann von Osnabrück belehnt mit dem Zehnten zu Lehrte, Ksp. Bokeloh und mit dem dortigen Erbe Richarding, wie sie ihm von Johann von Langen gen. Kreyenribbe aufgetragen hat,
1428 von Bf. Johann von Osnabrück belehnt mit den Zehnten zu Apeldorn, Klein-Stavern, Niederlangen, dem 1/2 Zehnten zu Oberlangen, den Zehnten zu Dörperbauerschaft u. zu Gesten, Ksp. Lengerich, dem Hof Godinck in Herbrum, Focken Hanneken Hus Ksp. Bokeloh, dem 1/4 Teil des Zehnten zu Dörpen, dem Lösezehnten zu Emen, Ksp. Lathen, dem Lösezehnten von Reyners Hof in Emmeln, Ksp. Haren, dem Lösezehnten vom Hof Sinningen und vom Müllererbe in Düthe, dem 1/4 Teil des Zehnten zu Wehm, Ksp. Werlte, den Höfen Otten und Gesen in Borken, Ksp. Meppen, den Höfen Sandering in Aschendorf und dem Hof Bremer in Herbrum, Ksp. Aschendorf, Werndings Erbe in Rhede und Lusings Erbe in Wedde, Westerwolde,
1429 leiht er Bf. Heinrich von Münster 2400 Gulden, womit dieser vom Erzstift Bremen das Amt Wildeshausen in Pfand nehmen will, dafür verpfändet ihm Bf. Heinrich den Zehnten von Haselünne und den Zehnten von Eltern
1434 Klage gegen die Stadt Meppen vor dem Bischof von Münster wegen wiederrechtlich verkaufter Grundstücke aus seinem Hofbesitz in Meppen,
1435 Grundstücksaustausch mit dem Meppener Stadtrat,



"In einem Prozeß, den die ostfriesische Gräfin Theda 1467 gegen ihre Tanten Bawe Focken (Frau des Häuptlings Ewe Erikes aus Jemgum) und Ulske Focken (Frau des Unico Riperda aus Farmsum) um Familienschmuck und das Erbe ihres Großvaters Fokko Ukena führte, berichtet sie auch von "dem Hof zu Brae, den Focko gekauft und Idecke [dessen 2. Frau] dem Engelbert von Langen gegeben hatte, um damit ihr Gold- und Silbergeschmeide einzulösen". Sie hatte also zuvor dem Herrn Engelbert von Langen Schmuck gegeben, offenbar um Kapital zu erhalten. Dies dürfte etwa um 1430 und 1435 gewesen sein; in dieser Zeit verlor Fokko Ukena die Macht als Herr Ostfrieslands" (Wolbert G.C. Smidt, in: Quellen und Forschungen zur ostfriesischen Familien- und Wappenkunde, Heft 3, 2005)


1436 Kauf des Hofes zu Brahe von Focko Ukena

Om dit hof is nogal wat te doen geweest. Engelbert I laat deze na aan zijn beide zoons Engelbert II von Langen & Rolf von Langen. Het vervolg hiervan vindt plaats in 1467 [Darstellung der Lehnsverhältnisse des Gutes Brahe, und Gutachten, wie die Gräfin von Ostfriesland und ihre Söhne den seitens des Rolef von Langen erworbenen Lehnsbesitz an demselben auf Grund ihres Erbrechts vindiciren könne].




1437 [25-05-1437] der Knappe Engelbert van Langhen wird vom Abte Johann von Werden mit dem Hofe zu Brahe belehnt,
1438 Mitverteidiger der Emsländer gegen unberechtigte Ansprüche des Stiftes Münster,
1442 Fehde gegen die Stadt Osnabrück.



Stadt Münster an Cord Ruroip, Freigrafen tom Eversberge: ihr Bürger Engelbert von Langhen, sein Bruder Dress und sein Sohn Engelbert beteuern ihre Unschuld und wollen vor ihrem Landesherrn, dem Bischof von Münster, zu Recht stehen [27-09-1449].


Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met:
205249 Gertrud von Schatte [Gen. 18 Nr.: 205249 EDELOUDER]
, geboren omstreeks 1395 in Haselünne Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Gertrud: Geboren um 1395
Gertrud is overleden na 1440 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 50 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Gertrud: Gestorben nach 1440, urk. 1440.
Notitie bij Gertrud: Erbin der Schattischen Güter, erbt 1440
Religie: Rooms Katholiek
Kind van Engelbert en Gertrud:
I. Engelbert II von Langen [Gen. 17 Nr.: 102624 STAMOUDOVERGROOTOUDER] (Zie 102624)




 

205250 Herbort von Düvel [Gen. 18 Nr.: 205250 EDELOUDER], geboren omstreeks 1395 in Düvelsburg, Dielingen, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Herbort: Geboren um 1395
Herbort is overleden na 1442 in Stockum, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 47 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Herbort: gestorben vor 1442, urk. 1442 tot.
Notitie bij Herbort: Herr zu Stockum u. Batenhorst
Burgmann zu Reckenburg

Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde voor 1431 met:




 
Rittergut Stockum


Johann von Varendorp, Probst zu St. Johann zu Osnabrück, Rembert Quernheim, Engelbert von Plettenberg, Heidenreich Droste, Serich von Back, Johann Moneke, Johann von Quernheim, Heidenreich von Plettenberg, Johann von dem Swege, Johann von Ermen, Hermann Bakle, Rembert Pantte, Sweder der Eysseler, Bernd von Smerte, Evert von Brakle, Dietrich von Mandeslo, Albert der Bock, Herbort Düvel, Dres von Velpe, Heinrich von dem Broke, Heinrich Kerssenbrok, Reineke Schilder, Sweder der Harde, Bertold der Harde und Johann Oldendorp bekennen, daß sie "umme sodane Redertogh, Vengnisse und Schaden", geschehen von Simon (IV.) Herrn zu der Lippe, seiner Mannschaft, Städten und Untersassen, Johann Klenke, denen von Herford und denen von Lemgo, mit diesen sich auseinandergesetzt haben usw., und verpflichten sich falls dennoch Ansprache geschehe zum Einreiten in Lemgo [28-02-1429].


Rembert von Quernheim, Bernd von Smerke, Evert von Baecle, Heinrich von dem Broeke, Herbord de Düvel, Alhard von Hörden, Johannes von Ennychelo Ebbeken Sohn, Segewyn von dem Busche, statius von den Sluen gen. Tribbe, Wilhelm Westphalen, Herr Lubbert Westphalen, Kord Astorp, Heinrich Brans, Rembert von dem Lasterhause, Kerstien von der Dünnowe gen. Speckmus, Claus Vincke und Wernike Vincke sind dem Junker Simon (IV.) Herrn zur Lippe und den Städten Herford und Lemgo 900 Fl. schuldig und geloben eidlich, die Schuld am Tage der elftausend Mägde auf der "Wessele" zu zahlen, und verpflichten sich die "Gefangenen" andernfalls zum Einlager in Lemgo, jeder mit einem Knechte und zwei Pferden, wollen auch bei verzögerter Zahlung die Schuld mit einem von je zehn Gulden verzinsen [24-04-1429].


Kwartierverlies

XVIII/205250 Herbort von Düvel stamt zowel via zijn moeder als zijn vader af van Friedrich II von Post & Nomen Nescio von Heidelbeck [Gen. 22 Nr.: 3284002 & 3284003 EDELOUDOUDERS].


205251 Margarethe (Grete) von Elmendorf [Gen. 18 Nr.: 205252 EDELOUDER], geboren omstreeks 1408 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Margarethe: Geboren um 1408
Margarethe is overleden na 1447 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 47 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Margarethe: gestorben nach 1447, urk. 1442-1447
Notitie bij Margarethe: 1442 mit den Höfen in Dratum belehnt
1442 zu Behuf ihrer Kinder belehnt mit Stockum, den Höfen Lüdering, Konerding, zwei Kotten, Teiche, eine Mühle, Kreienbrocks Haus, dem Meierhof zu Klein Dratum, dem Holzgericht über die Dratumer Mark und den freien Sundern in Dratum, dem Burglehen zu Reckenberg und den übrigen Lehnsstücken.




 
Vor Johan Ludolvynch, Richter der Neustadt Osnabrück, verzichtet Alheid, Witwe des Rembert Duvele, mit Zustimmung ihres Vormundes Sweder van den Bussche zu Gunsten ihres Sohnes Herbert Duvele und dessen Frau Grete von Elmedorpe gegen Aussetzung zweier Höfe zu Mekelessche als Leibzucht auf alle ihre Ansprüche an Stockem und allen dazu gehörigen Gütern; denselben Verzicht leisten auch Frederick Duvel und dessen Schwestern Styne und Elseke gegen Aussetzung einer Rente von 10 Mark. Zeugen: Lubbert van dem Bussche, Diderick Pladyze, Diderick Brantzel, Johan van Elmedorpe, Willem van Elmedorpe, Hinrick Vos [18-01-1434]. ~ Familie Zuordnung vermutet wegen der Vormundschaft.


Das Stammwappen ist von Rot und Gold fünf oder sechs mal geteilt. Auf dem Helm mit rot-goldenen Helmdecken ein schwarz gekleideter und mit einem silbernen Pfahl belegter Jünglingsrumpf zwischen einem offenen rechts goldenen und links rotem Flug.
Religie: Rooms Katholiek
Kind van Herbort en Margarethe:
I. Adelheid von Düvel [Gen. 17 Nr.: 102625 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER] (Zie 51297)
206464 Engele Tolen [Gen. 18 Nr.: 206464 EDELOUDER], geboren omstreeks 1455 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Engele is overleden na 1499 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, minstens 44 jaar oud.
Religie: Katholiek
Hij trouwde met
206465 - Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 206465 EDELOUDER]. - is overleden na 1480 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind uit dit huwelijk:
I. Werneke (Wilcke) Tolen [Gen. 17 Nr.: 103232 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1480 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 103232).
206592 Rainer to den Stroden [Gen. 18 Nr.: 206592 EDELOUDER], geboren omstreeks 1450 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Rainer is overleden na 1499 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, minstens 49 jaar oud.
Hij trouwde met
206593 - Nomen Nescio [Gen. 18 Nr.: 206593 EDELOUDER]. - is overleden na 1499 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind uit dit huwelijk:
I. Johann ton Stroen [Gen. 17 Nr.: 103296 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1480 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 103296).



213584 Arndt von Vietinghoff [Gen. 18 Nr.: 213584 EDELOUDER], geboren omstreeks 1345 in Strünkede, Herne, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Arndt is overleden na 1432 in Altendorf, Essen, Düsseldorf, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, minstens 87 jaar oud.
Notitie bij Arndt: Herr zu Altendorf.



Burg Altendorf



Arndt der Schele von dem Vittinghoff (Vitinchove) hat aus freien Stücken Heinrich up dem Bergh (upm ...) den Zehnten zu Rode [Ra- ?] verkauft. Die Kaufsumme ist ihm ausbezahlt worden; er verpflichtet sich zu rechter Währschaftsleistung. - Es siegelt der Aussteller. - Gegeven ... zu s. Vitusdage [15-06-1361].


1376-1432, 1383 Knappe, nach der Erbteilung mit seinem Bruder Diderich übernahm er Haus Vitinghof und die Burg Altendorf
1386 erwarb er dazu von seinem Bruder käflich das Nolden-Gut in Laer (Bochum-Lare)
Wie sein Bruder Diderich zog er 1388 als Dienstmann mit dem Grafen v. d. Mark zur Fehde gegen die Reichsstadt Dortmund
1409 Beschweren sich die Bürger von Dortmund, daß ihnen Arnd II. ihre Waren weggenommen habe. Darnach hielt er sich in Livland auf, um den Deutschen Orden im Kampf gegen die Polen und Litauer zu unterstützen. 1411 Kauft Arnd das Gut Overkamp in Rüttenscheid
1414 wird er vom Abt von Werden mit dem festen Haus Homberg bei Hattingen und den dazu gehörigen Gütern belehnt
1415 Belehnt ihn der Abt von Werden auch noch mit dem Gut Beechusen in Rellinghausen



Burghart Stecke, Sohn Johanns, macht bekannt, daß sein + Vater für sich und seine Erben das Gut them Hoembergh [-berch] mit seinem Zubehör und Leuten an Arnd von dem Vittinghoff (Vytinchove) gen. Schell ([dye] Schele) verkauft hat. Burghart verpflichtet sich zu rechter Währschaftsleistung. Er hat als Sachwalter eingesetzt Johann Stecke, Wolters Sohn, und Bernd den Groven (Grouen), die sich gegebenenfalls zum Einlager in Essen oder Dortmund verpflichten. Burghart verpricht Ersatz, falls die Sachwalter durch ihn einen Schaden erleiden. - Es siegeln der Aussteller, Johann und Bernd. - ... up s. Michaelis avende [28-09-1416].


Arnd v. Vitinghof gen. Schele nebst Söhnen Arnd u. Johann versichern dem Kapitel 1 Gulden Rente auf sein Gut zu Beckhausen, wo zur Zeit Dietrich zu Bechusen wohnt, behufs eines Seelengedächtnisses für seine Schwester Margaretha. Zeugen: Rutger Voet, Fron, Herm. Becker, und Herm. Moddinchoff, Gerichtsleute. Besiegelt von den Rellinghausener Richtern Joh. Cruse und Joh. Franke sowie von Arnd v. Vitinghof und dessen Söhnen Arnd und Johann. Von den angehängten 5 Siegel ist das zweite abgefallen. op sente Jurencius avende 09-08-1424.


Arnd von Vitinghof genannt Schele draagt ​​de jaarlijkse rente over aan het kapittel van de kanunniken in Essen op voorwaarde dat er herdenkingen worden gehouden [23-02-1429].


Arnd von dem Vitinghove, gt. der Schele, trifft mit seinem Bruder Johann eine Scheidung ihres väterlichen und mütterlichen Erbes dahin, daß ihm (dem Aussteller) Aldendorp im Gericht Hattingen nebst Fischerei und Mühle, das Gut zu Bockhusen, die Ansprüche auf Ritter Pilgrims v. d. Leyten Schuld im Betrage von 130 Gulden, alle Güter und zugehörigen Leute diesseits Rheins, ausgenommen das Gut zu Laer, ferner das ihrem Vater von Johann v. d. Leyten verpfändete Gut zu Middeldorp, dem Bruder dagegen die Forderungen an Junker Gerd van Cleve, Grafen von der Mark und Johann von der Leyten (wegen des silbernen Gürtels, den dieser zu Dortmund bei den Juden versetzt), 100 Gulden von Dietrich von Eickel, die Güter zu Laer und zu Hemerden im Lande zu der Dyck (Dickt) und alles Erbe jenseits Rheins zufallen sollen. Die unverheiratheten Aufsitzer (ehloseige loide) theilen beide unter sich, indem Arnd die Theilung vornimmt, dem Johann aber die Auswahl bleibt. Zeugen: Cracht Stecke, Drost zu Wetter, Conrad Stecke, Bernd v. dem Vorste, Johann Aschebroick ter Molenbarch, Ruprecht Staell von Holstein, Drost zu Werden, Albert Sobbe tho dem Grymberg, Gerd von Bodelschwingh, Diedrich von der Leyten und Diederich v. Vorste. Ind dit is bededinget in den jaere veirhundert twe ind dertig jaeren, des dindstags na sunt Victor dagh. Besiegelt hatten der Aussteller, dessen Brüder und die vorbenannten Zeugen. Pap.-Abschrift aus dem Anfange des 17. Jahrh. [07-10-1432] .




Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met
213585 Jutta von der Leite [Gen. 18 Nr.: 213585 EDELOUDER], geboren omstreeks 1345 in Leime, Buer, Gelsenkirchen, Münster, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Johann von Vietinghoff genannt Scheel [Gen. 17 Nr.: 106792 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1395 in Livonia, Estonia (zie 106792).




 

213586 Wessel von Loë [Gen. 18 Nr.: 213586 EDELOUDER]. Wessel is overleden op 08-05-1456.
Notitie bij Wessel: Im Jahre 1429 übertrug Wes sei von Loe den größten Teil des Besitzes seinem Sohne Johann, der mit Christine von Eyll vermählt war.
Religie: Rooms Katholiek



Transfix: Heinrich Pyse, Richter zu Spellen, Henneken ingen Have, Gerd van Hambergen, Coen van Cassel en Johann Holtman, lekenrechters te Spellen, stellen dat: Wessel van dem Lo en zijn zoon Johann van dem Lo, de Hermann Goisswyns en vrouw Druden van hun helft van het hof te Voerst en het hof de Tient op de lip en de erfenis van Hermann van Loer in de parochie Spellen voor 700 gulden jaarlijks pensioen van 35 gulden, te betalen in de stad Wesel. Datum: 05-05-1445 (up onses heren hemelvartes avent, die daer oick was sunte Johans avent before the latynscher porten).
 
Wessel van dem Loen zijn zoon Johann van den Loen; Hermann Goisswins en zijn vrouw Druden verkopen een jaarlijks pensioen van hun helft van de Voerst boerderij en de erfenis van kleurstof Tient voor 700 Rijnlandse gulden van 35 gulden na afloopvankan zeven jaar worden ingewisseld. Hameken ingen Have, Gerd van Hamberge, Coen van Cassel, Johann Holtman, schepenen van Spellen, zegel met het schepenzegel. Datum: 13-05-1445 (up sunte Servaes dagh des heilige biscops).




Hij trouwde met
213587 Elisabeth (Elseken) von Overhaus [Gen. 18 Nr.: 213587 EDELOUDER], geboren omstreeks 1375. Elseken is overleden omstreeks 1450, ongeveer 75 jaar oud.
Notitie bij Elseken: Elisabeth van Overhausen Vrouwe van Vondern.
Aus der Ehe Vrederuns mit ’Johann von dem Oberhaus gingen ebenfalls nur Töchter hervor. Elseken, die älteste von ihnen, war mit Wessel von Loe aus dem Hause Loe bei Mari verheiratet. Bei ihrer Heirat erhielt sie als Mitgift das Haus Vondern, das damit als klevisch-märkisches Lehnsgut an die Familie von Loe kam. Fast 200 Jahre lang ist es in ihrem Besitz geblieben.



Dietrich van Vonderen, Johann von Oberhaus (van den Averhuis), ErenbrechtsSohn, Rutger van Galen, Rutgers Sohn, und ihre Angehörigen (Ehefrauen Stine, VrederuneGeneratie 20 (edelovergrootouders) und Bate; Dietrich und Else, Kinder des Johann von Oberhaus; Rutger und Aleit, Kinder des Rutger van Galen) verkaufen dem Kloster Sterkrade (Äbtissin: Lisa) drei Eigenhörige mit ihrer Nachkommenschaft und das Gut oppe den Helwege im Kirchspiel und Gericht Mülheim / Ruhr, wofür sich Heinrich Broichof und Dietrich van der Hoven mit Einlager in der Stadt Holten verbürgen. Gegeven in die iair uns herren dusent driehondert drie ind tachtentich des dinsdages vur sente Joiriains dage des heligen ritters [21-04-1383].


Hermann von der Seldunk, Ritter und Schultheiß des Herzogs von Berg zu Angermund, bekundet, dass vor ihm und dem Gericht zu Mülheim / Ruhr Dyderich van Vunderen und seine Gattin Styne, Johann von den Overhus, Eremberts Sohn und seine Gattin Vrederune, sein Sohn Dyderich und seine Tochter Elseke, Rothger van Ghalen, des alten Rotgers Sohn, seine Gattin Bate, sein Sohn Rotger und seine Tochter Alheyd der Äbtissin und dem Konvent zu Sterkrade das Gut up dem Hellewege mit 3 Leuten mit Namen Mette, Styne und Alheyde vor eyn alt vry, ledich, egen gut verkauft haben. - Zeugen: Johann Hoekelenbusch, Richter zu Molnem, Diderich Hagen und Gerart von Ebbenchoven, Schöffen daselbst, Reynbolt, Pastor von Holten, Conrad dey Dukere. Gegyven na Christi gebort yn dem dusenstigesten iare drehundersten jare und in dem dreundactentygsten iare an sinte Georgius dage des hylegen mertelers [23-04-1383].


Burg Vondern

Door erfenis en huwelijk kwam Wessel von Loe in het bezit van Kasteel Vondern. Echtgenote Elseken von Overhuese is de kleindochter van Dietrich von Vondern.


Die Herren von Loe standen in klevischen Diensten und bekleideten als Hofmeister und Drosten der Ämter Liemers und Holten angesehene Stellungen. Für Vondern ist das Geschlecht derer von Loe nicht ohne Bedeutung, denn es hat nicht nur den durch die Erbteilung zersplitterten Besitz wieder vereinigt, sondern es hat ihn sogar noch bedeutend vermehrt.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Hille von Loë [Gen. 17 Nr.: 106793 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1415 (zie 106793).



213588 Ruprecht Stael von Holstein [Gen. 18 Nr.: 213588 EDELOUDER]. Ruprecht is geboren circa 1410 en overleden op 02-02-1462, ongeveer 52 jaar oud.
Notitie bij Ruprecht: Ruprecht der Prächtige! Ritter, Herr zu Hardenstein, Amtmann von Werden, Bochum, Neustadt und Gummersbach, Lehnstatthalter für Mark und Sauerland, Märkischer Lehnrichter.
Erwähnt in zahlreichen Urkunden 1431 - 1461.
1431 Wird von Köln wiederholt aufgefordert, die von ihm auf dem Rhein gefangenen und nach Hardenstein verschleppten Kölner freizugeben.
1437 Macht sein Schloss Hardenstein zum Offenhaus von Johann von Cleve.
1450 Untersiegelt die Verträge zwischen Köln und Jülich.
Lehnstatthalter für Mark und Sauerland.
Religie: Rooms Katholiek




 

Hof Beckmann Bochum

Im 15. Jahrhundert gehörte es zu den Besitzungen der Familie Stael von Holstein zu Hardenstein. Erworben wurde das Gut am 03 Januar 1452 von Robert Stael von Holstein, Amtmann von Werden, Bochum, Neustadt und Gummersbach.


VII. 1. Ruprecht (auch Robert) "der Prächtige" Stael von Holstein & vor 1431 Christine von Hardenberg.


Dietrich von Eikelen, zijn vrouw Deidart evenals Ruprecht Stael von Holstein en zijn vrouw Stine kondigen aan dat een huwelijkscontract tussen hun kinderen Nivelung (Nevelinck) Stael en Marie von Eikelis gesloten. Het getrouwde stel Eikel schonk Nivelung 1.000 Oberland gulden als een echte bruidsschat en bruidschat, waarvan 400 zijn toegewezen aan het landgoed Sevinghausen (Sevinchusen) en aan de Velthoeve in Wattenscheid. Cracht Stecke moet hem de resterende 600 gulden betalen uit de nalatenschap van de graaf van Dortmund. Ook schonken zij de echtgenoten 600 gulden, die wordt overgemaakt en verpand aan de boerderij Krahwinkel [Krawinckel], die is gevestigd in het hof van Bochum. Het getrouwde stel Eikel behoudt zich het recht voor om de boerderij voor het leven te gebruiken. Als Dietrich overlijdt, heeft Marie dezelfde erfrechten als de andere wettige kinderen van de overledene. Nivelung en Marie mogen de Krawinkel-boerderij voor zichzelf gebruiken totdat de andere kinderen van Eickel deze hebben ingewisseld. Ruprecht en Stine geven Nivelung jaarlijks een pensioen van 60 gulden. Als Marie zonder problemen sterft, kan Nivelung de bruidsschat voor het leven gebruiken. Als Nivelung zonder erfgenamen overlijdt, kan Marie het jaarlijkse pensioen nog voor het leven gebruiken. Nivelung is om zijn vrouw te schenken van de vaderlijke en moederlijke erfenis. - Zegel Dietrich, Ruprecht, Nivelung, Johann vonEikel, broer/zwager, Heinrich Hasenkamp, ​​​​maarschalk, Albert Sobbe de Jonge, Cracht Stecke en Lutter Stael von Holstein, de broer van Neveling. - Gegheven ... op den zondag Letare [16-03-1455].


Hij trouwde voor 1431 met
213589 Christine von Hardenberg [Gen. 18 Nr.: 213589 EDELOUDER], geboren omstreeks 1410. Christine is overleden omstreeks 1460, ongeveer 50 jaar oud.
Notitie; Erbin von Hardenstein (Tochter v. Heinrich V. von Hardenberg und Wilhelmine N.N.).



Burg Hardenstein

De verdelingsovereenkomst van 1462 tussen de zonen van Robert Stael von Holstein zu Hardenstein & Christine Hardenberg geeft een duidelijk beeld van het kasteelcomplex in die tijd. Naast het oorspronkelijke kasteel, het "nederste huyss" aan de Ruhr met de voorburcht, de donjon, stallen en boerderijgebouwen, was een tweede groter gebouw gebouwd, het "averste nyhe huys" met twee torens, dat ook een voorburcht met boerderijgebouwen. In die tijd omvatte het hele complex ook een gevangenis en een kapel, evenals een koren- en een oliemolen. Naast de verschillende zalen, kamers, keukens etc. wordt als bijzondere ruimte de "harnkamer" genoemd.
Het kasteel van Ruhrzandsteen had schoorstenen en erkers, de ronde hoektorens hadden schietgaten, het voorburcht had een ringmuur met twee poorten, waarvan er één nog bewaard is gebleven.
Een van de beroemdste legendes van het Ruhrgebied, die ook werd opgenomen in de literaire werken van de gebroeders Grimm, is verbonden met kasteel Hardenstein - de legende over de dwergkoning Goldemar, die onzichtbaar in het kasteel woonde en de ridder Neveling von hielp Hardenberg rijk worden. Op een dag echter sprak de boze koning van de dwergen een vloek uit over de familie - in de toekomst zou het huis net zo ongelukkig moeten zijn als voorheen, de versplinterde goederen zouden pas weer samenkomen als er drie Hardenberge von Hardenstein tegelijk woonden.
De vloek van Goldemar moet vervuld zijn - 40 jaar later stierf de laatste mannelijke afstammeling van de familie - Heinrich V. von Hardenberg zu Hardenstein, zijn dochter Christine bracht het kasteel in het huwelijk met Robert Stael von Holstein, wiens afstammelingen een volledige fragmentatie van het eigendom bereikten . Wat het tweede deel van Goldemars vloek betreft, kan hier het volgende worden opgemerkt: samen met Kasteel Hardenstein nam de Stael von Holstein ook de naam Hardenberg als voornaam aan.


Roprecht Stael von Holstein erklärt 15-01-1436 sein Haus und Schloss Hardenstein dem Grafen Gerhart zu der Mark zum Offenhaus.


Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Neveling Stael von Holstein [Gen. 17 Nr.: 106794 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1430 (zie 106794).



213590 Diederich von Eickel [Gen. 18 Nr.: 213590 EDELOUDER]. Diederich is overleden vóór 1463, ten hoogste 28 jaar oud.
Notitie bij Diederich: Diederik van Eickel Heer van Krange. Drost des märkischen Amtes Bochum.
Religie: Rooms Katholiek




 
Diderich von Eyckell schenkt graaf Gerhart von der Mark zijn huis ten Krange aan het Offenhaus. d.w.z. op vitus [15-06-1437] en krijgt het terug als leengoed [zijn zegel is links op het document goed zichtbaar].


Dirck von Eykl schenkt zijn huis Crange aan hertog Adolf II van Kleef [de broer van de hierboven genoemde graaf Gerhart von der Mark] en krijgt het terug als leengoed [zijn zegel is links op het document goed zichtbaar].
10. August 1441: (op sent Laurentius dach des heiligen Mertelers)
Adolph, Herzog von Cleve und Graf von der Mark, beurkundet, daß ihm Derick van Eykel, Henneken Sohn, sein Haue geheiten ten Krangh, mit Vorburgen, Graben und Vestungen als freieigenes Erb und Gut "beheltlick onsen .. brueder Gerart von Cleve dair an synne apenyngh syn leven lanck in maten Derick oen die apenyngh ... ayn leven lanck verscreven heeft". Der Herzog belehnt damit den D. als mit einem "onversterfflick Manleen" gegen Zahlung von jährlich 2 oberländischen rheinischen Gulden. D. und seine Erben dürfen ihr Haus nicht ohne weiteres anderweitig verkaufen, sondern haben es gegebenenfalls zunächst dem Herzog bzw. durch ihn anderen Leuten aus der Cleve-Märkischen Ritterschaft anzubieten. D. hat daraufhin die vorgeschriebene Huldigung geleistet.
Zeugen: Herrn Gadert van Hanxlede, Ritter, Havemeister des Herzogs, Goisswyn Stecke, Erffmarschalck, und Gracht Stecke.
Herzog Adolf II. von Kleve ließ die mit Ecktürmen versehene und nur durch eine hölzerne Zugbrücke erreichbare Wasserburg um 1440 auf einer Insel in der Niederung der Emscher errichten und belehnte am Laurentiustag 10 August des Jahres 1441 Derick van Eykel, mit dem Haus „geheiten ten Krangh“. Krang bedeutete Flussschleife.


In 1441 kreeg de feodale heer van House Crange, Derick van Eykel, pauselijke toestemming om 50 meter ten noorden van House Crange een kapel te bouwen.
Ten noorden van het kasteel stond de Laurentiuskapel van het Huis van Crange [de voorloper van de Crangerkerk], die in 1449 werd ingewijd.

Derick van Eykel zou de kapel hebben geschonken, die aan de oostkant van het Crange-huis werd gebouwd.

In het document van 3 januari 1449 (Inventaris van het Graf von Spee'schen Archivs Ahausen, Landesamt für Archivpflege (ed.), Verlag Aschendorff, Münster 1968, documentnummer 185, p. 68. Het inventarisboek is in te zien in het Stadsarchief van Herne.) de Romeinse Curie stond alleen Theodorik van Eickel (Derick van Eykel) toe om een draagbaar altaar te bezitten waarop hij de Heilige Mis en andere kleine diensten kon vieren in het Crange-huis of in andere kapellen voor zijn familie en werknemers. Een draagbaar altaar kon alleen worden gebruikt op plaatsen die niet waren gewijd, bijvoorbeeld in een plaats van aanbidding, in een privéwoning of buitenshuis. Dit privilege was altijd persoonlijk, d.w.z. het was alleen van toepassing op de persoon die in het document werd genoemd. Hij hoefde geen predikant te zijn, maar kon bijvoorbeeld tot de lagere adel behoren.
Op St. Laurentiusdag, 10 augustus 1449, werd de slotkapel door de aartsbisschop van Keulen, Dietrich von Moers, aan St. Lawrence gewijd. Het draagbare altaar, gemaakt door Crange, werd naar de nieuwe kapel gedragen en gewijd aan St. Antonius.


 
De patroonheiligen van Crange, Antonius en Laurentius, afgebeeld op het drieluik van de Crangerkapel


Dietrich von Eickel geeft hertog Jan van Kleef [een neef van de hierboven genoemde Adolf II & Gerhart] de opdracht om zijn Krange-huis als open huis te gebruiken als gevolg van een geschil met hem [09-11-1454].


Dietrich von Eikelen, zijn vrouw Deidart evenals Ruprecht Stael von Holstein en zijn vrouw Stine kondigen aan dat een huwelijkscontract tussen hun kinderen Nivelung (Nevelinck) Stael en Marie von Eikelis gesloten. Het getrouwde stel Eikel schonk Nivelung 1.000 Oberland gulden als een echte bruidsschat en bruidschat, waarvan 400 zijn toegewezen aan het landgoed Sevinghausen (Sevinchusen) en aan de Velthoeve in Wattenscheid. Cracht Stecke moet hem de resterende 600 gulden betalen uit de nalatenschap van de graaf van Dortmund. Ook schonken zij de echtgenoten 600 gulden, die wordt overgemaakt en verpand aan de boerderij Krahwinkel [Krawinckel], die is gevestigd in het hof van Bochum. Het getrouwde stel Eikel behoudt zich het recht voor om de boerderij voor het leven te gebruiken. Als Dietrich overlijdt, heeft Marie dezelfde erfrechten als de andere wettige kinderen van de overledene. Nivelung en Marie mogen de Krawinkel-boerderij voor zichzelf gebruiken totdat de andere kinderen van Eickel deze hebben ingewisseld. Ruprecht en Stine geven Nivelung jaarlijks een pensioen van 60 gulden. Als Marie zonder problemen sterft, kan Nivelung de bruidsschat voor het leven gebruiken. Als Nivelung zonder erfgenamen overlijdt, kan Marie het jaarlijkse pensioen nog voor het leven gebruiken. Nivelung is om zijn vrouw te schenken van de vaderlijke en moederlijke erfenis. - Zegel Dietrich, Ruprecht, Nivelung, Johann vonEikel, broer/zwager, Heinrich Hasenkamp, ​​​​maarschalk, Albert Sobbe de Jonge, Cracht Stecke en Lutter Stael von Holstein, de broer van Neveling. - Gegheven ... op den zondag Letare [16-03-1455].


Hij trouwde met
213591 Dederadis (Beda) von Elverveldt [Gen. 18 Nr.: 213591 EDELOUDER]. Beda is overleden op 13-07-1459.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Maria von Eickel [Gen. 17 Nr.: 106795 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1435 (zie 106795).




 

213592 Hanneman Sobbe zu Grimberge [Gen. 18 Nr.: 213592 EDELOUDER], geboren omstreeks 1362. Hanneman is overleden omstreeks 1455, ongeveer 93 jaar oud.
Religie: Rooms Katholiek

Notitie bij Hanneman: Heer van Grimberg, Stevelinchof, Becke en Alberenhusen.




 

Schloss Grimberg

Schloss - Grimberg war ein Wasserschloss im Gelsenkirchener Stadtteil Bismarck an der Stadtgrenze zu Wanne.


1397 Albert Sobbe bekennt, dass die beiden Güter zu Resse im Kirspel von Buer gelegen, seinem Bruder Hanneman anerfallen, und dass weder er noch seine übrigen Geschwister einige Ansprüche daran hätten.
1398 Wilhelm Herzog von Berg entbindet die Geschwister Albert und Hanneman Sobbe von den Urfehden und Eiden, die sie ihm und seinen Landen geschworen.
1398 Hanneman Sobbe verkauft dem Heinrich Bobbe, Mechtelden u. Burcharden in dem Broicke 2 Höfe zu dem Ostendorpe und Borne-Hove gelegen zu Sudderesse im Kirspel von Buer.
1398 Heinrich Bobbe, Mechtilde u. Burchard in dem Broicke, erklären vor Gericht, dass sie die Scharen und Holzgerechtigkeit in der Resser Mark, zu den beiden Gütern sonst gehörig, nicht mitgekauft haben.
1399 Zwei Teilzettel über die väterlichen Guter für Hanneman und Engelbert Sobbe an einer, und Albert u. Wenemar Sobbe an der andern Seite
1401 Bernd de Sly bekennt dem Hanneman Sobbe 3 Mark schuldig zu sein.
1404 Haneman und Engelbert Sobbe bekennen, dass sie die beiden zu Resse im Kirchspiel von Buer gelegenen, an Reyner von Westerholt verpfändeten Güter, nicht eher wiederlösen können, sie haben dann zuvor 35 Goldgulden erlegt.
1408 Reyner von Westerholt bekennt, dass er von Hanneman Sobbe Briefe, sprechend auf 500 rhein. Gulden, und betreffend die Leibzucht seiner Tochter Margaretha erhalten habe, und bekennt Burchard v. Westerholt, unter gleichem Datum, dass er besagte Briefe nach Absterben seines Vaters aufbewahren solle.
1414 Berd de Sly bekennt seinem Bruder Haneman 70 rhein. Goldgulden schuldig zu sein und solle er die Pensionen aus seinem Anteil an jenen Gütern beziehen, die ihre Mutter zu Leibzucht besitzt.
1417 Schadlosbrief des Heinrich von Westhusen für Hanneman Sobbe, wegen einer Bürgschaft zu Händen des Evert von Wickede.



Schadlosbrief Berndo van Strunkede d. J. für Wilhelm Grafen zu Limburg Herrn zu Broich, als Bürgen für eine Zahlung von 150 schw. rh. Gld. an Hanneman Sobbe. Dat. 1407 feria quarta ante festum beati Petri ad Cathedram [17-02-1417].


1418 Wenemar Sobbe verkauft seinem Bruder Hanneman das Gut Alberenhusen, den Stevelinchoff, die Becke und verschiedenes andere.
1427 Hanneman Sobbe, Bernd v. Galen und Heydenreich von dem Holte stiften einen Vergleich zwischen Styne v. Alsteden und deren Stiefkindern.
1429 Lyse v. Alsteden verkauft ihrem Oheim Hanneman Sobbe die ihr von ihren Eltern anerstorbenen Güter für 400 rhein. Gulden.



21-02-1429

Hanneman Sobbe, Wenemar van Heyden, Bitter van Raysfelde, Borghart Stecke van deme Luttekenhove, Borghart van Westerholte, Hinrich van den Loe en Sander van Galen Rotgers Sohn sluiten een huwelijkscontract tussen Alberte Sobben Hannemans Sohn enWessel, Tochter Wenemars van Heyden. Albert ontvangt Grymhergh, waarvan Hanneman de helft levenslang reserveert, 24 gulden van de rechtbank in Vrolinde en 8 mark van de rechtbank in Martin, Grut van de Grut zu Essende.Wesselheeft broers en zussen Wenemar, Ryen en Greyten, die gelijkelijk delen in hun moederlijke erfenis. afdichtmiddel. de bemiddelaar. op sunte Angneten dagh der hilgen junchfrouwen [21-02-1429].


24-10-1436

Das Kanonichenkapitel trifft mit Hannemann Zobbe von Grintberge die Übereinkunft, dass die von dessen Vater aus dem Gut zu Lochteren legierte Roggenrente künftig aus der Brandenhove zu Steele geliefert wird. D. 1436 [24-10-1436] crast. Severini.


23-06-1437

Zwischen Wenemer van Heyden dem alden und Gherde van Bodelzwynghe wird ein Heiratsvertrag geschlossen, wonach Wenemer dem Gherde seine Tochter Katherine als Ehefrau gibt. Gherd wird am Hause Bodelzwynghe berechtigt, sein Bruder Aleve erhält das Haus Mengede. Katherine erhält 900 rhein. Gulden, Johan van der Dorneborch gt. Aschebroick Johans Sohn soll davon 100 Gulden verbriefen. Z: Rottger van Bodelszwynghe (Mutter Gherdes und Aleves), Cort van Lyndenhorst, Diderick van Wyckede, Bernt van den Vaerste, Johan Aschebroick Rotgers Sohn, Sander van Galen von Seiten Gerdes; Henrik van dem Loe, Hanneman Zobbe, Johan Aschebroick Johans Sohn, Albert Zobbe Hannemans Sohn von Seiten Wenemars. Siegelank. der Vertragsschließenden und Henrich van dem Loe, Hanneman Zobbe, Conrad van Lyndenhorst, Grafen zu Dortmunde, Dyderich van Wyckede. up sunt Johans avende baptisten to mydsomer


Hij trouwde met
213593 Margaretha von Westerholt [Gen. 18 Nr.: 213593 EDELOUDER], geboren omstreeks 1378. Margaretha is overleden omstreeks 1414, ongeveer 36 jaar oud.
Notitie: Grete, Gräfin von Westerholt
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Albert Sobbe zu Grimberge [Gen. 17 Nr.: 106796 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1400 (zie 106796).




 

213594 Wennemar von Heyden [Gen. 18 Nr.: 213594 EDELOUDER], geboren omstreeks 1372. Wennemar is overleden omstreeks 1446 [1448 tot], ongeveer 74 jaar oud.
Notitie bij Wennemar: Herr Wennemar Von Heyden zu Hagenbeck.


Urkunden 1374-1446; 1391 u. 1397 "der Jüngere", ab 1421 der Ältere genannt.




 
"Wolter Stecke und Johan Stecke bekunden, daß Wenmar van Heydene de junge dem Hinrike heren to Ghemene und allen denen, die mit diesem im Felde waren, versprochen hat, seine Gefangenschaft an ihnen nicht zu rächen, dgl. dem Johanne van Lembeke und seinen Helfern. Dasselbe geloben Johann uppen Dyke, Herman van Wesele, Dederich Doeys van den Grotenhus, Clauwes Klapschoef, Herman Nese, Adam de Engelsche, de Pyper gegenüber Hinrike to Ghemene und Johann van Lembeke."
Siegelankündigung der 2 Ausst. ipso die beati Blasii [03-02-1391]


1403 und 1404 durch die Abtei Werden



Hinrich, Johan und Diderich van Hagenbeke, Söhne + Diderikes van Hagenbeke, und Wenemar van Heidene verkaufen dem Johanne van Wedelynch gt. de Schriver die 2 Zehnten im Ksp. Scirenbeke, der eine in der Bs. Emlynchem, der andere in der Bs. Ruschede, die früher + Hermanne van Hagenbeke gehörten, unter Gelöbnis des Einlagers in Dursten nach Anmahnung beim Pförtner zu Zyten. Siegelank. der Verkäufer. in vigilia beati Jacobi apostoli [24-07-1403].


1404 belehnt durch den Herzog v. Kleve
1404 verkauft mit seinen Brüdern Goddert u. Lüzo den im Ksp. Borken gelegenen Heydenschen Freistuhl und die Veerschaft auf der Lippe den Gebrüdern Blomensat
1405 bekennt mit seinem Bruder Luetse, an Herzog Rainald von Geldern keine Ansprüche zu haben aus den Schäden, die jener mit seinen Mannen im Dorf Heyden, auch dem Brand der Kirche, angerichtet hat



Luze van Heydene gibt seine Zustimmung dazu, daß sein Bruder Wenemar von seinem Bruder Goderde das Grote Busschuys im Ksp. Heydene, den Häselhaf und Krukelkens Gut im Ksp. Borken und Hermensen Wys in der Markopper Broke abgekauft hat. Siegelank. des Ausstellers. dominica tercia post festum passe [10-05-1405].


1406 kaufte 24.7.1406 eine Hälfte von Hagenbeck von der Stadt Dorsten
1406 pachtete 26.7.1406 eine Hälfte auf 10 Jahre, war vor dem 3.2.1391 gefangen



Wenemal van Heydene bekundet, daß ihm Bürgermeister und Schöffen der Stadt zu Dursten ihre Hälfte am Hof zu Hagenbecke und ihre Hälfte am Holzgericht zu Emelynchem, die sie von Bernde van Hagenbecke und Ehefrau Gosten gekauft haben, auf 10 Jahr verpachtet haben. Siegelank. des Ausstellers. crastino sancti Jacoby apostoli [26-07-1406].


1406 durch den Herzog v. Jülich



1415 Lehnsmann des Edelherrn von Solmissen



"Gossen van Gemen gt. van Provestinch gelobt dem Wenemar van Heyden Schadloshaltung für die Bürgschaft, die dieser zusammen mit Gossens Bruder Wilhelm van Gemen, Wessel van Lembecke und Wilhem van der Swanenborch gegenüber Goderde van Lyle geleistet hat."
Siegelankündigung des Ausstellers.i n profesto beati Petri ad cathedram [21-02-1417]
.


1422 Drost zu Steinfurt
1424 durch den Grafen von Zutphen im Kspl. Winterswick belehnt
1424 Kauf umfangreicher Lehen von Bernd von Velen
1429 durch Derich von Bronchorst, Sohn zu Batenborch und Aenholt
1429 durch den Probst zu Xanten
1439 und 1442 Lehnsmann des Edlen Herrn v. Steinfurt
1440 mit seiner zweiten Frau Katharina und dem Sohn Menzo Mitglied der Kalandsbruderschaft in Wattenscheid



02-02-1441

Ludolf von Lüdinghausen gelobt, den mit seinem herrn, Bischof einrich von Münster geschlossenen Vertrag des folgenden Hinhalts in allen Punkten halten zu wollen: Außerdem überläßt der Aussteller dem Bischof die Vorburg zwischen der oversten borgh und der vryheit. Siegler: der Aussteller. Gegeven (...) 1441 upp unser leven vrouwen dagh geheiten lechtmisse. Urkunde 41: Bischof Heinrich von Münster bekundet, daß er nach der Belehnung mit borgh, slot, stadt und vryheit zu Lüdinghausen durch den Abt Johann Stecke zu Werden die Huldigung der Knechte, Diener, Wächter, Pförtner, Turmknechte und des ganzen Hausgesindes seines lieben oems Ludolf von Lüdinghausen sowie von Bürgermeister, Rat und Gemeine binnen Stadt und Freiheit Lüdinghausen für den Fall von Ludolfs Tod empfangen habe, und verspricht, Ludolfs Rechte auf dessen Lebzeiten zu wahren und zu verteidigen. Der Aussteller darf, wenn nötig, 4 Mannen oder mehr in Stadt und Freiheit legen und verspricht, Ludolf auf dessen Lebzeiten jährlich zwischen Maritni und Christmesse 2 gute Fuder Wein zu liefern. Die Kapelle in der Freiheit und vor der borgh darf Ludolf aus dem Zubehör der Borgh und Herrschaft zu Lüdinghausen mit 4 Kuhweiden beschenken. Bürgen: Domdekan und Kapitel, sowie die Räte und Getreuen des Ausstellers Herr Johann von Vechtorppe, Ritter, Wennemar von Heydene de olde, Burchard Stecke van den Luttekenhave, Gerd Morryan, Hermann und Gerd Gebrüder von Mervelde, Cord Staell, Hinrich von Methelen,Johann von Lembecke, Johann von Asbecke, Hinrich von Asbecke, Gerd von Kepell, Rotger und Dietrich Gebrüder von Hameren, Johann von Wederden, Johann von Senden und Johann Schenckinck. Kommt der Bischof seiner Verteidungspflicht nicht nach, sollen 4 Domkanoniker und einige der übrigen Bürgen Einlager in Coesfeld halten. Siegler: der Aussteller und die Bürgen. Gegeven (...) 02-02-1441 uppe unser leven vrouwen dagh geheiten lechtmisse.


02-02-1441

Bischof Heinrich von Münster bekundet, daß er nach der Belehnung mit borgh, slot, stadt und vryheit zu Lüdinghausen durch den Abt Johann Stecke zu Werden die Huldigung der Knechte, Diener, Wächter, Pförtner, Turmknechte und des ganzen Hausgesindes seines lieben oems Ludolf von Lüdinghausen sowie von Bürgermeister, Rat und Gemeine binnen Stadt und Freiheit Lüdinghausen für den Fall von Ludolfs Tod empfangen habe, und verspricht, Ludolfs Rechte auf dessen Lebzeiten zu wahren und zu verteidigen. Der Aussteller darf, wenn nötig, 4 Mannen oder mehr in Stadt und Freiheit legen und verspricht, Ludolf auf dessen Lebzeiten jährlich zwischen Maritni und Christmesse 2 gute Fuder Wein zu liefern. Die Kapelle in der Freiheit und vor der borgh darf Ludolf aus dem Zubehör der Borgh und Herrschaft zu Lüdinghausen mit 4 Kuhweiden beschenken. Bürgen: Domdekan und Kapitel, sowie die Räte und Getreuen des Ausstellers Herr Johann von Vechtorppe, Ritter, Wennemar von Heydene de olde, Burchard Stecke van den Luttekenhave, Gerd Morryan, Hermann und Gerd Gebrüder von Mervelde, Cord Staell, Hinrich von Methelen, Johann von Lembecke, Johann von Asbecke, Hinrich von Asbecke, Gerd von Kepell, Rotger und Dietrich Gebrüder von Hameren, Johann von Werden, Johann von Senden und Johann Schenckinck. Kommt der Bischof seiner Verteidungspflicht nicht nach, sollen 4 Domkanoniker und einige der übrigen Bürgen Einlager in Coesfeld halten. Siegler: der Aussteller und die Bürgen. Gegeven (...) 02-02-1441 uppe unser leven vrouwen dagh geheiten lechtmisse.


1443 bekundet Hinricus de Morsa (von Mörs), Bischof von Münster und Administrator zu Osnabrück, dass der Knappe Wenemarus de Heyden wegen der Entfernung der Pfarrkirche in herveste für die Burg und Bauerschaft Hagenbecke eine Pfarrkirche zu Holsterhausen, einem von Alters her heiligen Ort, wo schon ein Friedhof bestand, gegründet hat, das Patronatsrecht bleibt Wenemar und seinen Erben am Hause Hagenbecke vorbehalten
1443 Knappe, Herr auf Hagenbeck (Kspl. Holsterhausen b. Borken) durch Heirat bzw. durch Kauf von seinem Schwager Heinrich von Hagenbeck



Hagenbeck Holsterhausen



Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met
213595 Woltera von Hagenbeck [Gen. 18 Nr.: 213595 EDELOUDER]
, geboren omstreeks 1372. Woltera is overleden omstreeks 1423, ongeveer 51 jaar oud.
Notitie bij Woltera: Urk. 1403-1411, 1423 tot, Erbin v. Hagebeck.




 

07-02-1404

Wenemar von Heiden und seine Frau Wolter (!) machen bekannt, daß sie der Siechenmeister von Werden Ernst von Ötgenbach mit dem Gut ter Schuren im Kirchspiel Hiesfeld belehnt hat und zwar unter der Bedingung, daß Henneken Piek und dessen Frau, die schon früher mit diesem Gut belehnt worden sind, friedlich dort bis zu ihrem Lebensende sitzen bleiben dürfen. Anwesend waren dabei der Propst Bertold von Büren, der Küster Johann von Ötgenbach, Herr Johann von der Leiten und Herr Pilgrim von der Leiten, Ritter, der Knappe Johann von Kuckelshem und viele andere Leute. - Es siegeln der Aussteller, Johann und Pilgrim von der Leiten. - Datum ... feria quinta proxima post beate Agnete virginis [07-02-1404].


Ernst van Cytkebach, Syekenmester des Münsters zu Werden, belehnt im Auftrage des Kapitels Wenemare van Heyden und Ehefrau Woltere mit dem Gut ter Schuren im Ksp. Hystvelde, jedoch ohne Störung der Rechte von Heneken Pyek und Ehefrau, die damit auf Lebenszeit belehnt sind. Z: Edelherr Bertold van Büren, Propst, Johan van Oykenbach, Küster; Johan van der Leyten, Pilgrim van der Leyten, Ritter, Johan van Kukelshem, Knappe. Siegelank. des Ausst. feria quinta proxima post beate Agate virginis [07-02-1404].


Vor Hinrich Wyssynck de alde, Richter zu Lembeke, verkauft Hinrich van Hagenbeke, Johans Sohn, dem Wenemare van Heidene, dessen Ehefrau Wolter und Tochter Phyen das Erbteil, das Hinrich van Hagenbeke dem + Wessele van Hagenbeke gegen Wiederkauf verkauft hatte, nämlich den halben Hof von Hagenbeke u. a., ferner die eigenhörigen Leute Wessel Overkamp mit Frau und Kindern, aber ohne die Tochter Aleke; Elsebe Schuomers de alde mit Kind, Elsebe Schuomers de junge mit den Kindern, die sie von Drostiken hat; Mette Hannekens mit ihren Töchtern Aleke und Elsebe und Kindern, mit Ausnahme eines schon verkauften Kindes; Aleke in den Bussches Kind, Mulsekens Sohn; Elseben und Katherinen, Töchter Hermans ten Moerbrincke. Z: Luse van Heidene, Diderich van Hagenbeke, Dideriks Sohn, Willem van Kuyk gt. Hovet, Johan de Gruter, Sweders Sohn. Siegelank. des Richters, des Verkäufers und seines Bruders Thonyes van Hagenbeke. in vigilia beati Jacobi apostoli [24-07-1406].


28-06-1411

Wennemar von Heiden, seine Frau Wolter und ihre Kinder Mense und Fie machen bekannt, daß sie an Abt Adolf von Spiegelberg und das Kapitel zu Werden ihre vollschuldige Eigenhörige Gese Tilois, wohnhaft zu Dorsten, übertragen haben. Gese und ihre Nachkommen sollen als Eigenhörige zum Hof Rüste (Ruschede) gehören. Sie haben dagegen erhalten Gese, Frau von Johann Werninghe, wohnhaft zu Rode, die Eigenhörige der Abtei in dem Hof Rüste war. - Es siegeln Wennemar und Heinrich von Oisterwich [Oysteraich ?], Freigraf (-greven) des Kölner Erzbischofs. - Datum ... in vigilia b. apostolorum Petri et Pauli [28-06-1411].


Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Wessele (Ursula) von Heyden [Gen. 17 Nr.: 106797 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1403 (zie 106797).
213596 Bertram von Gevertzhain genannt Lützenrode [Gen. 18 Nr.: 213596 EDELOUDER]
, geboren omstreeks 1390. Bertram is overleden na 1459, minstens 69 jaar oud.
Notitie bij Bertram: Die Familie von Gevertzhagen wird urkundlich im Jahre 1220 zum erstenmal nachweisbar erwähnt. Es ist also anzunehmen, dass sie schon längere Zeit vor diesem Datum im Bereich der Pfarrei Gebhardshain ansässig gewesen ist. Der Stammsitz dieser damaligen Familie muss zwischen Gebhardshain und Fensdorf gelegen haben. Die Familie weist später zwei Nebenlinien auf:

Die Linie Gevertzhagen von Lütgenroide mit ihrer Burg zwischen Elkenroth und Dickendorf, der sogenannten "Hildburg".
Gevertzhagen-Kotzenrode, mit ihrer Burg zwischen Kotzenroth und Luckenbach in der Gemarkung die heute noch den Namen "Junkernplatz" hat.
Im Jahre 1221 hat der damalige Erzbischof von Köln, Engelbertus der Heilige, in einer Urkunde die Niederlassung der Zisterzienser an der Nister, dem heutigen Marienstatt, genehmigt. Als Zeuge ist hier ein Roricus de Geverdshagen aufgeführt. Weitere Urkunden aus den Jahren 1261, 1272, und 1275 nennen als Zeugen Roricius und Gerlach von Gervarzhan, die zu diesem Zeitpunkt nicht mehr als Vasallen, sondern bereits als Ritter aufgeführt werden.

Weitere Urkunden liegen vor aus den Jahren 1283, 1291, 1306, 1333 und 1353. Diese Urkunden sind jedoch alle ohne Siegel. Erst eine Urkunde vom 28.7.1375, in welcher Johann von Geverzhain seinen Schwiegersohn Peter Doppe einen Teil seines Zehnten zu Steinenberg vermacht, enthält neben dem Siegel des Grafen Johann von Sayn, auch das Siegel des Ritters Johann von Geverzhain.



Als Wappen führten die von Gevertzhagen drei linksschräge silberne Rauten in roten Felde. Das rote Feld ist an jeder Seite mit drei goldenen Kriegslilien besetzt. Auf dem Helmstehen zwei rote Adlerflügel, auf welchen sich die Wappenfiguren wiederholen. Decke und Livree sind rot und silbern.




 

Im Jahre 1400 tritt als erste Seitenlinie die Familie von Gevertzhagen-Lütgenroide auf und etwas später die zweite Seitenlinie, derer von Gevertzhagen-Kotzenrode.

Während des 30 Jährigen Krieges wurden die Burgen der Stammlinie und der beiden Seitenlinien zerstört, so dass von diesem Zeitpunkt an das Geschlecht derer von Gevertzhagen hier nur noch Besitzer, aber selbst nicht mehr anwesend ist. Die Hauptlinie von Gevertzhagen stirbt im Mannes-Stamme im Jahre 1733 mit Johann Wilhelm Freiherr von Gevertzhagen aus, während die Nebenlinie von Lützerode mit Ernst Lothar Karl August Freiherr von Lützerode im Jahre 1862 ausstirbt, als dieser in Dresden als königlich-sächsischer Kammerherr verstirbt.

Die von Gevertzhagen besaßen Gebhardshain, Attenbach (heute Gimborn), Hemmerich und Keldenich bei Bonn, Mühlen (heute Uckarath), Roth (heute Mühlheim) und Venau.

Die Nebenlinie Lützerode besaßen Clyff (heute Bochum), Forst bei Frechen, Hardenberg bei Bochum, Klarenbeck (heute Lennep) Kulseck und Weilerswist (heute Lechenich), Mehrum und Roth (heute Mühlheim) und Wensberg.



Hardenberg

Kreis Düsseldorf-Mettmann”Eine (bergische) Unterherrschaft denen Freyherren von Wendtgehörig, welche zu den gewöhnlichen Landessteuern nicht beyträgt, und ihre eigene Untergerichtsbarkeit hat; übrigens aber den Landesgesetzen unterworfen ist, und jährlich gewisse Schuttgelder befahlt" (Lenzen, Beiträge zur Statistik des Herzogtums Berg, 1802, S.48). Die ”frei, eigene Herrschaft" war 1354 Dez. 29 an den Grafen von Berg veräußert worden (Lacomblet, 3, Nr. 548), wurde erst als bergisches Amt verwaltet, aber 1512 an die von Geverhain gen. Lützenrodt als Herrschaft zu Lehen ausgetan


Einer der bekanntesten Freiherren von Gevertzhagen ist der Abt Bertrand Goswin, Abt zu Kornelimünster bei Aachen, der 1699 von seinen eigenen Untertanen erschossen wurde.
Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met
213597 Agnes von Steiffen [Gen. 18 Nr.: 213597 EDELOUDER].
Religie: Rooms Katholiek



Erbteilung zwischen dem Siegburger Konventualen Arnold von Stryffen und seinen Verwandten Nesa van Stryffen und ihrem Sohn Albrecht van Gevertzhaen über den Nachlass von Arnolds Bruder Peter van Stryffen [23-08-1436].


Kind uit dit huwelijk:
I. Albrecht von Gevertzhagen [Gen. 17 Nr.: 106798 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren in 1420 (zie 106798).



213598 Wilhelm von Nesselrode zum Stein [Gen. 18 Nr.: 213598 EDELOUDER], geboren omstreeks 1395. Wilhelm is overleden op 15-04-1472, ongeveer 77 jaar oud.
Notitie bij Wilhelm: Historisch-genealogischer Atlas : seit Christi Geburt bis auf unsere Zeit.
Religie: Rooms Katholiek




 

09-02-1448

Mit Junker Gerhart von Kleve, Grafen von der Mark, verbünden sich gegen den Grafen von Wittgenstein und Sayn Johann Herr zu Gemen und Wilhelm von Nesselrode, Herr zum Stein, deren jeder 30 bewaffnete Reisige stellen soll. d. am ersten Samstag in der Fasten [09-02-1448].


25-05-1455

Quittung Everds von Dalle für den Ritter Wilhelm von Nesselrode, Herrn zum Stein, Landdrost im Lande Berg, über 50 oberländische Gulden, ausgezahlt durch den Vogt Heynrik den Hund. Original mit aufgedrücktem Siegel des Ausstellers [25-05-1455].




Link naar Karel de Grote



Hij trouwde met
213599 Swenholde von Landsberg [Gen. 18 Nr.: 213599 EDELOUDER], geboren omstreeks 1400. Swenholde is overleden omstreeks 1440, ongeveer 40 jaar oud.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Swenhold (Swane) von Nesselrode [Gen. 17 Nr.: 106799 STAMOUDBETOVERGROOTOUDER], geboren in 1425 (zie 106799).





216032 Hermann von Weiffenbach [Gen. 18 Nr.: 216032 EDELOUDER], geboren omstreeks 1375 in Battenberg (Eder), Waldeck-Frankenberg, Hessen, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Hermann is overleden. Hij is begraven in Battenberg (Eder), Waldeck-Frankenberg, Hessen, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Functie: Schöffe (Um 1400 - 1420)




 


Hij trouwde met
216033 N.N. [Gen. 18 Nr.: 216033 EDELOUDER].
Kind uit deze relatie:
I. Henne von Weiffenbach [Gen. 17 Nr.: 108016 STAMOUDBETOVEROUDER], geboren omstreeks 1415 in Battenberg (Eder), Waldeck-Frankenberg, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 108016).



VERVOLG

ZIE GENERATION XVIII bis



NAAR BOVEN / TO TOP OF PAGE