https://www.de-Paula-Lopes.nl
GENERATION I
GENERATION II
GENERATION III
GENERATION IV
GENERATION V
GENERATION VI
GENERATION VI bis
GENERATION VI tertium
GENERATION VII
GENERATION VII bis
GENERATION VII tertium
GENERATION VIII
GENERATION VIII bis
GENERATION VIII tertium
GENERATION IX
GENERATION IX bis
GENERATION IX tertium
GENERATION X
GENERATION X bis
GENERATION X tertium
GENERATION XI
GENERATION XI bis
GENERATION XII
GENERATION XII bis
GENERATION XIII
GENERATION XIII bis
GENERATION XIV
GENERATION XIV bis
GENERATION XV
GENERATION XV bis
GENERATION XVI
GENERATION XVI bis
GENERATION XVII
GENERATION XVII bis
GENERATION XVIII
GENERATION XVIII bis
GENERATION XIX
GENERATION XIX bis
GENERATION XX
GENERATION XX bis
GENERATION XXI
GENERATION XXII
GENERATION XXIII
GENERATION XXIV
GENERATION XXV
GENERATION XVI



Generatie 16 (stamoudovergrootouders)

39300 Fernando (Fernão) Jiménez (Ximenes) [Gen. 16 Nr.: 39300 & 39316 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. Fernando is geboren in Ledesma, Castilië. Hij is overleden.
Notitie: “een sterke en genereuze man” Hij was qua religie joods.
Fernando Jiménez: met zijn familie afkomstig uit de Ximenes van de Roncal-vallei in de regio Navarra, gelegen in de ten noorden van Spanje. Oude en adellijke familie van nieuwe christenen gevestigd in Portugal, uit Spanje. De vereniging van de twee achternamen begon bij Fernando Jiménez [Fernão Ximenes], gevangen genomen (samen met zijn vader) bij het vechten tijdens de successieoorlog door de Portugezen in de slag bij Toro [02.03.1476].
Fernando en zijn vader dienden Don Henrique Enriquez de Mendoza, graaf van Alba de Liste, die gevangene was in de Slag bij Toro en met hem naar Portugal werden gebracht, waar ze enige tijd gevangen zaten.
Na de oorlog vestigde hij zich in Covilhã met Joana Nunes de Aragão. Rond het jaar 1504 woonde Fernando nog steeds in Covilhã en gaf hij les.



De Slag bij Toro was een koninklijke slag uit de Castiliaanse Successieoorlog, uitgevochten op 1 maart 1476, nabij de stad Toro, tussen de Castiliaanse troepen van de Katholieke Monarchen en de Portugees-Castiliaanse strijdkrachten van Afonso V en Prins João.

De dood van Hendrik IV van Castilië in 1474 leidde tot een successiecrisis en de vorming van twee rivaliserende partijen: Isabella, de halfzus van de koning, kreeg de steun van de meerderheid van de edellieden, griffiers en mensen, terwijl Juana de Trastámara, de koningsdochter werd ondersteund door enkele machtige edelen.

Deze rivaliteit zorgde voor een burgeroorlog en de Portugese koning Afonso V kwam tussenbeide in de verdediging van de rechten van zijn nicht Juana, met wie hij trouwde. Hij probeerde de kronen van Castilië en Portugal te verenigen als alternatief voor de vereniging van Castilië met Aragon, gepersonifieerd in het huwelijk van Isabella met Ferdinand, de erfgenaam van de troon van Aragon.
Het Verdrag van Alcáçovas (ook bekend als Verdrag of Vrede van Alcáçovas-Toledo) werd op 4 september 1479 ondertekend tussen de katholieke vorsten van Castilië en Aragon aan de ene kant en Afonso V en zijn zoon, prins John van Portugal, aan de andere kant. Het maakte een einde aan de Castiliaanse Successieoorlog, die eindigde met een overwinning van de katholieke vorsten op het land en een Portugese overwinning op zee.




Op een rood veld twee gouden kolommen in pieken, met daarboven elk zijn fleur de lis, eveneens in goud, en tussen de kolommen twee gekruiste zwaarden in de vorm van een “X”, in zilver, met gouden versieringen. aanhalingstekens, met de punten naar het hoofd (het bovenste deel van het schild).

In 1603 werden deze wapens gecertificeerd aan de familie Ximenes de Aragon, via de wapenkoning André de Herédia, woonachtig in Valladolid, Spanje.










Hieronder een deel van het proces van zijn dochter Beatriz Ximenes, “Arquivo Nacional da Torre do Tombo”, Hof van het Heilig Officie, Inquisitie van Lissabon. Uit de opgegeven genealogie blijkt Fernão, haar vader, joods te zijn.






Ferdinando Ximinio de Navarra



Het tweede boek van de Illustrious Genealogies of Spain bewijst dat deze Ximenes werkelijk afkomstig zijn van de “goede Ximenes van Navarra”. Waarin André de Herédia getuigt: censor van de insignes van Zijne Katholieke Majesteit, gewoonlijk koning van de wapens genoemd, inwoner van Valladolid, die in zijn brieven, één aan de heer Fernando Ximenes (laatste [31 - maandag] maart 1603), en een andere op 28 februari van hetzelfde jaar, gestuurd naar de heer Duarte, auteur van fort van Wáfia Leugenhage [Blauwhof], waar hij verklaart dat de insignes van deze nakomelingen, beginnend bij Fernando Ximenes de Navarra, zoon van Inhigo Ximenes, het rode veld zijn en daarop twee De insignes hebben op de twee kolommen een gouden lelie; tussen de twee kolommen bevinden zich twee zwaarden in de vorm van een kruis met de punt naar beneden gericht, die de aandacht trekken door hun gouden en zilveren handvatten.

Fernando Ximenes diende aan het hof van koning Dom João II van Portugal en later koning Dom Emanuel I van Portugal, waar twee van zijn zonen dokters waren voor de kinderen van koning Emanuel I van Portugal. Deze Manuel 1 was een wettige neef en werd beschouwd als de geadopteerde zoon van koning Dom João II.
Notitie bij het huwelijk van Fernando en Joana: Betreft centrale regio en subregio van Beira Interior Norte, voormalige provincie Beira Alta.





Hij trouwde met [~ na de bruiloft vestigde het echtpaar zich in de stad Covilhã, waar hun kinderen werden geboren]
39301 Joana Nunes [Gen. 16 Nr.: 39301 & 39317 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren in Castilië.
Notitie bij Joana: Joana is een mogelijke afstammeling van de laatste grote rabbijn van Castilië Dom Abraham Seneor die de christelijke doop ontving met de naam Fernão Peres Coronel, die een schoonzoon had die ook een rabbijn was genaamd Meir Melamed die op dezelfde dag werd gedoopt met zijn schoonvader, met de voornaam Fernão Nunes Coronel. Want naast de samenvallende achternaam en geboorteplaats van Joana Nunes hebben we ook haar zoon Duarte [Gen. 15 Nr.: 19650 & 19658 STAMOUDGROOTOUDER] die trouwde met een nakomeling van Abraham Seneor, namelijk Isabel Rodrigues da Veiga, zijn achterkleindochter.
Religie: Joods
Kind uit dit huwelijk:
I. Duarte Ximenes de Aragão [Gen. 15 Nr.: 19650 & 19658 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1499 in Covilhã, reino de Castilla (zie 19650).



39302 Mestre Rodrigo da Veiga Évora [Gen. 16 Nr.: 39302 & 39318 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1475. Mestre is overleden omstreeks 1543, ongeveer 71 jaar oud.
Notitie bij Mestre: Dom Emanuel I bood op 15 januari 1500 de rol van natuurkundige (dokter) aan aan meester Rodrigo da Veiga, woonachtig in de stad Évora [MERCÊ DO OFICIO DE FISICO A MESTRE RODRIGO DA VEIGA, MORADOR NA CIDADE DE ÉVORA]. Zodoende werd hij arts van Dom Emanuel I was en ook gekend als Mestre Rodrigo de Évora. Hij kreeg van de koning de toestemming om de geneeskunde overal, in alle landen en streken van de Portugese kroon, uit te oefenen.




 

Beroep: Dokter van Dom Emanuel I, Venturoso (de gelukkige), koning van Portugal [1495 - 1521]. Hij heeft met zijn vader samengewerkt aan het hof.
De familie Veiga adopteerde later de toponymische Évora, een plaats waar de artsen zich bij het Hof vestigden, voorafgegaan door de patroniem Rodrigues ter overweging van Rodrigo da Veiga, de grondlegger van de familie in Portugal.
Rodrigo da Veiga komt, als directe afstammelig, in de genealogie van Fernão Pérez Coronel / Abraham ben Eliyahu Senneor.



Armario 6.0 da nova casa da coroa

Na fonte primária contida na “Chancelaria de D. Manuel I” datada em Lisboa a 15 de janeiro de 1500, onde:

“Mestre Tomás, castelhano, morador na cidade de Évora, enviou dizer que aprendera há muito tempo a ciência e arte de medicina e sabia curar qualquer enfermo, mas não o fazia por não ter licença”. Foi examinado pelo mestre António de Lucena, físico-mor, que o considerou apto. O rei o mandou pelo doutor mestre António de Lucena, seu físico-mor. Rodrigo da Veiga a fez.



In de primaire bron in de “Chancellaria de D. Manuel I” gedateerd in Lissabon op 15 januari 1500, waar:

“Mestre Tomás, Castiliaans, woonachtig in de stad Évora, gestuurd om te zeggen dat hij lang geleden de wetenschap en kunst van de geneeskunde had geleerd en wist hoe hij elke zieke moest genezen, maar hij deed het niet omdat hij geen vergunning had.” De koning stuurde hem naar Mestre António de Lucena, zijn belangrijkste natuurkundige die hem geschikt achtte. Rodrigo da Veiga deed het.
 
Dom Manuel I fez mercê do ofício de físico (médico) ao mestre Rodrigo da Veiga, morador na cidade de Évora, em 15 de janeiro de 1500. [Chancelaria de D. Manuel 1, liv. 12, fl. 70]

Dom Manuel I bood op 15 januari 1500 de rol van natuurkundige (dokter) aan aan meester Rodrigo da Veiga, woonachtig in de stad Évora. [Chancelaria de D. Manuel 1, liv. 12, fl. 70]
Mercê do ofício de físico a mestre João, morador em Sousel, onde o rei dom Manuel I o mandou em 10 de novembro de 1500, pelo doutor mestre António de Lucena, seu físico mor Rodrigo da Veiga a fez. [Chancelaria de D. Manuel I, liv. 12, fl. 52v]

Dankzij het beroep van natuurkundige van meester João, woonachtig in Sousel, waar koning Dom Manuel I hem op 10 november 1500 naartoe stuurde, hij werd onderzocht door meesterarts [hoofdfysicus] António de Lucena, die Rodrigo da Veiga geschikt achtte. [Chancelaria de D. Manuel I, liv. 12, fl. 52v]


XVI/39302 & 39318 Rodrigo d'Vega y Evóra




De da Ve(i)ga familie kwam oorspronkelijk uit Évora en voegde die plaatsnaam toe aan de familienaam


Wisselbrief getekend in Antwerpen door Juan de Morín aan Enoc de Morín in Medina del Campo, te betalen op de meibeurs aan Simón Ruiz 500 gouden dukaten voor de waarde ontvangen van Rodrigo da Veiga van Evora


Wisselbrief opgesteld in Antwerpen door Artus de Orshagen aan Diego de Meynaert in Madrid; om Simón Ruiz 500 dukaten te betalen voor de waarde ontvangen van Rodrigo da Veiga uit Évora, te storten op rekening van de trekker van dit bankbiljet




Mestre Rodrigo da Veiga Évora was een zoon van Constança Abraham Coronel [zie hieronder II § 6], dochter van Abraham Abraham ben Eliyahu Senneor. Regent van Segovia, secretaris van de katholieke koningen. Laatst bekende Exilarch van de Joden (koning van Juda in ballingschap). 'Hij was een Sefardische rabbijn, bankier, politicus, patriarch van de familie Coronel en laatste kroonrabbijn van Castilië, een hooggeplaatst lid van de Castiliaanse hacienda (almojarife van Castilië of koninklijk administrateur). In 1492, op 80-jarige leeftijd, bekeerde hij zich tot het rooms-katholicisme, waarbij hij de naam Fernão Pérez Coronel aannam, waarmee hij de adellijke lijn van Coronel stichtte.'







Nazaten van Fernão Perez Coronel zouden zeer vermogend zijn en diverse kastelen bezitten en gingen tot de adel behoren. Zo ook Rodrigo da Veiga en zijn vrouw Juliana Menezes. Zij vormen de stamouders van het huis Rodrigues d'Evora e Veiga.


Hij trouwde met
39303 Juliana de Meneses [Gen. 16 Nr.: 39303 & 39319 STAMOUDOVERGROOTOUDER].




 
XVI/39303 & 393019 Juliana de Meneses




De Meneses familie kwam oorspronkelijk uit Spanje


Kinderen uit dit huwelijk:
I. Isabel Rodrigues da Veiga [Gen. 15 Nr.: 19651 & 19659 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1508 (zie 19651).
39310
Andre Alvares Caldeirão [Gen. 15 Nr.: 19652 & 39310 STAMOUDGROOTOUDER] (dezelfde als 19652 in generatie 15).



 


Hij trouwde met
39311 Brites Cauldron [Gen. 15 Nr.: 19653 & 39311 STAMOUDGROOTOUDER] (dezelfde als 19653 in generatie 15).
39316 Fernando (Fernão) Jiménez (Ximenes) [Gen. 16 Nr.: 39300 & 39316 STAMOUDOVERGROOTOUDER] (dezelfde als 39300).
Hij trouwde met
39317 Joana Nunes [Gen. 16 Nr.: 39301 & 39317 STAMOUDOVERGROOTOUDER] (dezelfde als 39301).
39318 Mestre Rodrigo da Veiga [Gen. 16 Nr.: 39302 & 39318 STAMOUDOVERGROOTOUDER] (dezelfde als 39302).
Hij trouwde met
39319 Juliana de Menezes [Gen. 16 Nr.: 39303 & 39319 STAMOUDOVERGROOTOUDER] (dezelfde als 39303).



39320 Gonçalo de Sequeiros de Abreu [Gen. 16 Nr.: 39320 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Notitie: Zoon van Martim Gonçalves de Sequeiros en zijn vrouw Brites de Abreu, trouwde hij twee keer.
Hij werd ingeschreven in de Kleine Orden in Braga.
In 1553 kreeg hij een deel van de Casal de Casais toegewezen, behorend tot Couto van Várzea.
Het getoonde wapen is van zijn achterkleinzoon Cristóvão Soares de Abreu. Het bestaat o.a. uit de wapens van de ouders van Gonçalo [Gravura a buril de Nicola de L'armessim]:

Escudo Esquartelado:
I e IV – Sequeiros;
II e III - Abreu.
Sobre-o-todo: Soares de Albergaria.
Timbre: Abreus
Pendente da cadeia, a insígnia
da Ordem de Cristo.




 


Hij trouwde met
39321 Maria de Lima de Abreu [Gen. 16 Nr.: 39321 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Notitie: ook bekend als Amorim!
Kind uit dit huwelijk:
I. Vasco Sequeiros e Abreu [Gen. 15 Nr.: 19660 STAMOUDGROOTOUDER] (zie 19660).
49792 Henneke Henssen [Gen. 16 Nr.: 49792 STAMOUDOVERGROOTOUDER]
, geboren omstreeks 1430 in Rhenegge Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Henneke is overleden.
Hij trouwde met
49793 - Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 49793 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. - is overleden.
Kind uit dit huwelijk:
I. Hermann Hensons [Gen. 15 Nr.: 24896 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1470 in Rhenegge Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 24768).
50432 Borre Goerts van Delen [Gen. 16 Nr.: 50432 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Notitie: Ook bekend als Goirts/Goyert. Borre Goirts kwam uit Voorthuizen

Gabriel Cornelissoon, plaatsvervangend schout, Ghysbert Botter en Roloff Jansz, schepenen van Amersfoort, oorkonden dat Symon Willem Albertss heeft verklaard schuldig te zijn aan Reyertgen Borren Goortsz van Delen dochter een jaarlijkse rente van drie en een halve Keizers gulden, te lossen met 60 keizers gulden. [Reyertgen was een zus van Everardus Borren].
Regestnummer 532, gedateerd 10 mei 1557. Transfix van 10 januari 1542.
De toevoeging “van Delen” zou er op kunnen duiden dat haar vader Bor Goortsz stamde uit het Gelderse geslacht van Delen.



21-03-1542 Gemeenschappelijk bezit

21-3-1542: (tertia post Geertruyden) Reyer Dircksoen en zijn wijf Lijsgen doen Jacop van Twyller en zijn wijf Gryet tegoedschelding van alle recht en toezeggen dat zij hebben aan twee cameren en hofsteden gelegen in de Hellestraet bij de Observanten, in gemeenschappelijk bezit met Bor Goersoen, waaraan aan de ene zijde Jan Botters erfgenamen en aan de andere zijde Swaentgen Symons.
Bor Goersoen komen we voor het eerst tegen op 21 maart 1542. Reyer Dircksoen en zijn wijf Lijsgen droegen toen alle recht en toezeggen dat zij hadden aan twee cameren en hofsteden gelegen in de Hellestraet bij de Observanten, in gemeenschappelijk bezit met Bor Goersoen over aan Jacop van Twyller en zijn wijf Gryet.
Dezelfde dag leenden Jacop van Twyller en zijn wijf Geryt 30 guldens van Ryer Dircksoen en zijn wijf Lijsgen met als onderpand alle goed dat zij hadden in het gerecht van Amersfoort.
De belendingen waren aan de ene zijde Jan Botters erfgenamen en aan de andere zijde Swaentgen Symons.


27-03-1542 Overdracht erfrechten overleden zuster

27-3-1542: Bor Goirtsoen en zijn wijf Elbertgen [Everts] doen Reyertgen Borren Albertsoen tegoedschelding van alle goed niets daarvan uitgezonderd dat hun aanbestorven is van de overleden Lijsbeth Everts dochter. In de marge: Oytgen Mouris habet.


Borre Goerts wordt ook vermeld in de Verbalen der uitzettingen van schattingen in Aenstoit in 1549 en 1550. Aenstoit behoord tot Ede
Hij is daar samen waar te nemen met zijn zoon Goert Borren, de broer van Evert Borren.
Hij trouwde met
50433 Elbertgen Everts [Gen. 16 Nr.: 50433 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Tijdens de vasten (quadragesima=40 (dagen)) van 1553 overleed Elbertgen Borren in Ede Heilige Roomse Rijk.
Notitie: Zij was keurmedige van de Kelnarij van Putten; Het benedictijner klooster de Abdinghof in Paderborn (Duitsland) had vanaf de elfde eeuw diverse bezittingen op de Veluwe rond Nijkerk, Putten en Barneveld. Deze bezittingen werden vanuit de hof te Putten, een soort voorpost van de Abdinghof in Duitsland, beheerd. Vanaf ca. 1400 werd deze hof de Kelnarij genoemd.



Item hoc anno 44 in hebdomada post judica, concordavit mecum Borre Goertsen tot Vorthusen de censu capitali Elbertgen uxoris suam, et de medietate censu capitalis Elizabeth Eversen sororis suam uxoris praedictam quae obijt in Amsfort et 1 Jochem daler usque ad annum 44 inclusive dedit insuper 1 fl. Holl. ad symbolum sine damno meo
 
Het betreft een overeenkomst uit 1544 met (concordavit mecum) Borre Goertsen uit Voorthuizen met betrekking tot het vermogen (de censu capitali) van zijn vrouw Elbertgen, en de helft van het vermogen (de medietate censu capitalis) van Elizabeth Eversen, haar zuster.
Elisabeth Evers was overleden tussen januari en maart 1542. Kennelijk gaat het hier om de afwikkeling van haar nalatenschap. Dit sluit aan bij de transportakte van 30 augustus 1544 waarbij Reyer Dircksoen van Voerthuyssen (de man van Lijsbeth Evers), Dirck Reyersoen (zijn zoon) en zijn wijf Mergryet de helft van twee cameren hof en hofsteden gelegen in de Hellestraet tegenover de Observanten overdroegen aan Agnyes Daem Jacopsoen dochter. Ook bij andere akten ging het steeds om de helft van een bezit.
Twee conclusies kunnen we hieruit trekken:
 Borre Goirts kwam uit Voorthuizen, net als Reyer Dircks.
 Elbertgen en Elisabeth waren zusters.
 
30-8-1544: Reyer Dircksoen van Voerthuyssen, Dirck Reyersoen en zijn wijf Mergryet geven over en doen opdracht van de eigendom van de helft van twee cameren hof en hofsteden gelegen in de Hellestraet tegenover de Observanten, waaraan belend aan de ene zijde Henrick Heyvelt en aan de andere zijde Evert Somer, aan Agnyes Daem Jacopsoen dochter.


 
Het stuk begint met “NB Inquirenda”, wat duidt op een onderzoek of antwoord op gestelde vragen.

In eerste instantie stond er dat Reyneken Borre uit Ede kwam. Later werd ingevoegd dat haar patronym Evers was en a viro Bennekum. Letterlijk vertaald: door haar man Bennekom. En ook ingevoegd: bij Veldhuis. Hoe dan ook, in 1553 leefde zij in Amersfoort.

In de volgende passage stond eerst dat Reyniken Borren getrouwd was met Derick Borre of dat die haar zoon was (nupta an Derick Borre de illi vel nupta ex ea natus). De auteur was niet zeker van de relatie tussen Reyniken en Derick Borren. Feitelijk was Derick Borre een zoon van Bor Jansz [uit dienst tweede huwelijk] die zelf een kleinzoon was van Bor Goirtsz & Elbertgen Everts. Er staat verder dat deze Derick Borren de vader was van Casijn, en een lakenkoper was.

Voornoemde Reyneken had een tante in Amersfoort genaamd Elysabet Evers, die overleed in 1543 en die vrij van keurmede was (cormeda soluta). Zij was de zus van Elbertgen Everts. Reyneken zou van haar tante erven. Zij zou later in 1570 bij een lening bepaalen dat na haar dood, indien niet anders geregeld, de ene helft van deze rente zou komen aan haar neven, Henrick Evertszoon en de andere helft aan de kinderen van Maes Evertszoon.


1553 Overlijden Elbertgen Everts

Obijt hoc anno 53 in quadragesima in E(de) Elbertgen Borren, adhuc cormedam nullo traxi, fuit pro cormeda parvus equs qui vendidi filio praedictam defunctam pro 7 equitibus Gelr. 23 stb. pro equite, solvit totum, sed nisi 6 fl. Holl. accepi in manibus et 41 stb. reliquos fuit consumptum in domo Martijn van Scharpenzel, filij defunctam Evert, Borre, Goert et Jan Borren et unus filius (= filia!) nomine ??, Slotse habet integras partes.
 
Tijdens de vasten (quadragesima = 40 (dagen)) van 1553 overleed Elbertgen Borren in Ede. Keurmedigheid was geen belemmering (adhuc cormedam nullo traxi), in plaats van de keurmede (fuit pro cormeda) betaalden de zonen ieder (pro equite) een bedrag ten huize van Martijn van Scharpenzel. Het waren de zonen van de overledene genaamd Evert, Borre, Goert en Jan, en een dochter Reyertgen!
Conclusie hieruit is dat Reyertgen Borren 4 broers had. Vermoedelijk in volgorde van geboortejaar Evert, Borre, Goert en Jan.


Kind uit dit huwelijk:
I. Everardus (Evert) Borren [Gen. 15 Nr.: 25216 STAMOUDGROOTOUDER] (zie 25316).
51232 Godeke Hilling [Gen. 16 Nr.: 51232 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1440 in Niederlangen-Hilgen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Godeke: Hillinck / Geboren um 1440
Godeke is overleden na 1496 in Niederlangen-Hilgen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 56 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Godeke: Gestorben nach 1496, urk. 1466-1496, 1499 tot.
Notitie bij Godeke:
Vor Rolf von Langen, Amtmann im Emsland, verpachtet Godeke Hillink 1476 seinen Hof zu Oberlangen für 7 Schillinge Osnabrücker Währung an den ehemaligen Eigenbehörigen des Knappen Arnd Swenke, Johann de Jone [24-06-1476 Siegel des Amtmanns ab].

kauft 1492 von Tybe, der Wwe. von Hans Lüdeke sowie deren Kinder Johann, Hermann, Kosse, Steven und Hilleke ein Stück Heuland auf den Niederlangener Wiesen, 1496 in einem Kaufvertrag "sunder alle argelist und bedroch wall to holden daer myt my an und over weren kornoten des gerichtes Godeken Hillingh und Hermannus syn sone bystander Johan Toerne knape, mester Evert Smyt to Lathen, Lange Johan und mere lude genoich"

Religie: Katholiek



This solves a dispute between the farmers of Ober- and Niederlangen and the Cloister Ter Apel. The farmers are respresented by several nobelman and Godeke Hillinck and Hermann Peick.


Wenemarus Voet, kanunnik van den Dom te Munster en Wessel to der Mollen, als overlieden over 8 andere arbiters, geven een scheidsrechterlijke uitspraak in een geschil tusschen het klooster ter Apel met de gemeene buren van Over- en Neder Langhen, in 't karspel van Lotten, lopende over ‘een deel holtes unde veldes, staende ummetrent den cloester’.


Copia littere continentis contractum et dlvisionem inter burones de Langen et nos




Wy Wenemarus Voet Canonick des domes to Muster van
ordinancien des Erwerdighen doemdekens unde Capittels daer
sulves Inder tyt Bespector over Emesland sede vacante und Vessell
to der molen Amptman in Emeslande vorgen. Enkennen und betughen
in dossen openen besegelden breve Soe als twysschelich synt ghe
wesen de Ersamen gheistliken broder Hinrick vanden Berghe prior
und Ghemene Convente to Nyenlechte Apell ghenant Orden des
hillighen Graces und ghemene buren van Overen ende Nederen
Langhen in den kerspel van Lotten omme eendeel holtes unde veel
des staende ommetrent den cloister vorgen, und dosse vorgen, parthe '
beyde toe ghelyck wal beradens modes hebben oer recht overgeghe- 
ven unde onwederroplick gestalt to ener uuitsprake unde

determiniringhe guder manne daer toe gekoren de sick daer to omme
vredes unde rechtes willen guetwillich gemaket unde myt
onss vorgen, int Cloister vorgen, gereiset gelech und underscheit
der zaken beseyn unde undersocht hebben als namentliken van
weghen des priors und Conventes vorscr, de Ersamen und Eerberen
her Berndt kerchere to Vlachtwedde, her Egbert kerchere toe
Roisvinkel Joncker Egge hovetlinck tho Westerwolde und
Albert ter Borch Item van weghen der buren de Ersamen her Johan
Blancke kerchere to Lotten, Hinrick Schade Wilbrantzsone kna-
pe Godeken Hillinok und Herman Peick bure to Langhen, boven
welke enscheidesmanne vorscr, wy Wenemarus und Vessel Amptluden
vorscr, gekoren syn gheweset overmans unde entlicke richters 
bekennen daer omme wy na ripen berade und averlegghen der 
zaken onss vertalt van beiden zyden und onderwesen myt dossen 
vorsor, guden mannen zementliken und eendrechtliken hebben 
gescheiden toe ewighen tokomentenden (sic) tyden parthe vorgen, 
In formen wysen und maniren na bescreven, Unde dat alse gekoren 
schedeslude unde rechters uuitspreket unde to merer bekantnisse 
scryftliken overghevent voer ene ewighe onwederroplike sen
tencie und rechte waer teghen beyde parthen vorgen, nu offte hyr
namaels tho ghenen tokomentenden (sic) tyden doen sollen off en
willen vor onss gelovet und ghewilkoert hebben Int erste sal 
prior und Convent vorscr, quytschelden alle de buren van Langhen
vorgen, levendich unde doit Jonck unde olt unde alle de ghene
de van erer weghen off van eren bevelle des moghen hebben toe
doende gehad van alien ansprake unde schuldt daer se mochten
Inghevallen wesen in gheistliken off tytliken rechte van weghen
yewighes trouwes offte onrechtes ze tho yenighen tyden moghen
gedaen hebben In den Cloister Apel vorgen, unde daer omtrent Item
prior und Convent vorscr, sollen gunnen und to ewighen tyden
to staen den buren van Langhen vorgen, und eren nakomelinghen
to houwene alle holt dat staende is off in tokomenden tyden
waesen mach in den twen broken up beyden zyden der Tanghen
weldes eder rumes by den Nyenkampe van den palen boven
den Nyenkampe gesat hendt an dat Barenvledder holt dosser
twyer broke van den palen vorgen. hendt an dat Barenvledder so vorscr,
is den cloister vorscr, beneden den palen nicht negher to komen
eder to houwen, moghen houwen de buren van Langhen unde bru
ken to ewighen tyden so vorscr, is Nummant doch buten buren der
twier burschappen vorscr, holt to halen eder tho houwen off to oer
leven Beholtlike den prior und Convent vorscr, eyghendom des
grondes der twyer broken vorgen, demen to broken gelyck eren
anderen vryen doerslachtighen gude yn hoye inwweyde unde
aller nutticheit ze moghen, unde dat holt ghelyck den buren vorgen,
tho alien tyden to broken, Voert sail prior und Convent vorgen.
und erei.nakomelinghe vredeliken besitten hebben und gebruken 
alse ere rechte vrye eyghene hovede land und gaet buten der 
bure van Langhen vorgen. offte yummandes van erer weghen wed-
dersegghen eder besprekinghe alle land heyde weyde holdt torff 
water vissche maten so dat sementlike beleghen is tusschen de 
Hyvere de Ae up de ene und de Oolde op de anderen zyden

van des Scholten sloet waer an strecket Lander marck hente an
Ulbedes hole up der Hanentanghen daer ter merer en'fckentnisse
een schedespael gesat is. Welck so vorgen. sal hebben prior und Convent
vorgen. und ere nakomelinghen vorgen. unde ter erfftale onbehindert
van yummant to ewigen tyden besitten unde to all eren willen
unde to keren na all eren willen unde guetduncken buten der buren
van Langhen off yummandes van erer weghen besperinghe off ovelen
moet Item wertzake de bure van Langhen off yummant van erer weghen
anders waer dan vorgen. is holt houwende gevonden worde off op
den gronde des Cloisters vorscr. tusschen den Eyveren de AE und oelde
Schulten sloet und Ulbedes hole yenighen onwillen prior und Conventen 
yn yenigherleye wys dede, sal een ygelick de alsulkes wes deyde 
vervallen wesen so vake dat geschege onsses heren gnade van Monster 
in vyff osenbruggessoher marck in hande des Amptluden van Emeslande 
to betalen beholden demen prior und synen medebescreven vorgen. alles 
rechtes erer privilegien ende Statuten der gheistlicheit ze de over 
treders und onwillen myt gherichten gheistlick off wertlicke
affmanen Beholtlick oick demen Slotte to Wedde Joncker Eggen
und synen erffgenamen alles rechtes onbehindert van yummant wante
dan dosse vorgen. puncte an onss verbleven und van onss overlude 
unde schedeslude Sementlike voer rechte uuitgesproken waer synt 
Welke oick beyde parthen hebben ghelovet to ewighen tyden Stede
vaste und onverbroken to holden sunder Arghelyst hebben wy Wene
marus Voet und Wessel ter Mollen overmans vorgen. unde wy Bern
hardus und Egbertus kerchere vorgen. Egghe to Westerwolde hovet
linck ende Hinrick Schade Wilbrantz sone Schedeslude vor onss und 
onsse medegesellen onsse Segelen an dossen breeff gehanghen hyr 
weren an und over de Erbor Coep van Heyde Ghert Boncken En-
gell ter Walslaghe und ander lude ghenoich waer omme Ic Coep 
van Heide vorecr. want ic hyr an und over ghewesen hebbe myn 
Segell mede an dossen breeff hebbe gehanghen Datum Anno domini 
Millesimo Quadringentesimo Sexagesimo Sexto 
in festo Sanctorum Marcellini et Petri martirum.


Hij trouwde ca 1460 met:
51233 Engele N. [Gen. 16 Nr.: 51233 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. Engele is overleden na 1499 in Niederlangen-Hilgen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij overlijden van Engele: Gestroben nach 1499, urk. 1499
Religie: Katholiek
Kind van Godeke en Engele:
I. Dirk Hilling [Gen. 15 Nr.: 25616 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25616)



51312 Andreas von Langen [Gen. 16 Nr.: 251312 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1468 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij de geboorte van Andreas: Geboren um 1462Andreas is overleden na 1555 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, minstens 87 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Andreas: Gestorben 1555, urk. 1509-1555
Notitie bij Andreas: Herr zu Schwakenburg, geboren um 1468 (Religion: r.K.), gestorben 1555, urk. 1509-1555,
1509/1537 mit dem Burglehen zu Fresenburg belehnt, 1509 Burglehen zu Haselünne,




 

1510 von Bf. Erich v. Osnabrück belehnt mit 1/3 des Zehnten zu Apeldorn und Fockenhannekes Erbe in Apeldorn, Ksp. Bokeloh, mit dem Hof Alerdes in Borken, Ksp. Meppen, mit 1/4 des Zehnten zu Dörpen, mit 1/4 des Zehnten zu Borsum, Ksp. Aschendorf, mit einem Teil des Zehnten zu Auen, Ksp. Lindern, mit 1/4 des Zehnten zu Lähden, mit dem Meyerhof und dem Hof Timmermann in Herßum, Ksp. Holte, mit Helmanns Zehnten zu Borkhorn, Ksp. Löningen, dem Hof Asplaning in Heeke, Ksp. Alfhausen, mit dem Hof Reinering in Vinte, Ksp. Neuenkirchen im Hülsen, mit dem Hof Wellingerhof, dem Kotten Rappensteyn, dem Hof Grupe, dem Dikkotten dem Hof Molenstede beim Hof Wellingerhof, alle Ksp. Belm, mit einem Teil des Zehnten zu Wahn und dem 1/2 Zehnten zu Klein-Stavern, Ksp. Sögel, mit dem Zehnten von den Höfen Lindemann, Beelhinrikes, Wilmer Johanns und Schyr zu Lehrte und mit 1/3 des Zehnten zu Bückelte, alle Ksp. Bokeloh, mit 1/2 des Zehnten zu Huden, mit dem halben Erbe Kopes in Helte, Ksp. Bokeloh, mit dem halben Hof zu Lahre, Ksp. Haselünne, den nun Hermann Schulte bebaut, mit dem Hof Steinhaus in Wellingen, Ksp. Belm, mit dem Hof Kleine Helmkamp in Evinghausen, Ksp. Engter, mit 1/2 Zehnten zu Dörperbauerschaft und den Zehnten zu Gersten, Ksp. Lengerich, mit dem Hof Wreding in Rhede, mit dem Hof Swyters in Aschendorf, mit 14 Fuß Erde "in der Storckes breden", dem Hof Otten in Herbrum, mit dem Zehnten zu Niederlangen, mit den Höfen ton Polle und Fygen in Andrup, Ksp. Haselünne, mit dem Zehnten zu Lehe und dem Hof Sandering in Aschendorf,
1510 Zehntherr des Aschendorfer Zehnten,
1525 Erbteilung: Erhalt der Schwakenburg und der Lehen zu Haselünne; 1545/55 Erneuerung der Haselünner Lehen,



Der Knappe Melchior van Hede, Richter zu Aschendorf bezeugt, daß Godeke Determann von Andreß van Langen, des verstorbenen Engelbert Sohn, das Rankyngserbe im Ksp. Aschendorf zu Lehnrecht empfangen hat. Zeugen: Roleff Monick u. Wermbolt van Hede [15-03-1535].
 
Der Knappe Eggert Nagel bekennt, von Andreß von Langen, des verstorbenen Engelbert Sohne, zu Lehnrecht den Godynck Erbe zu Herberen, Ksp. Aschendorf, erhalten zu haben [15-03-1535].


De vondsten in de bodem en de Hunebedden wijzen op dichte vestigingen in Haseluenne al in de vroege steentijd. Ongeveer 500 jaar voor Christus bevond zich een Saksisch landgoed in het gebied waar tegenwoordig de stad ligt. Met behulp van hout werd er een fort gebouwd bij de dichtstbijzijnde rivier. Omdat dit hout “Lunni” werd genoemd, werd de plaats ook “Lunni” of “Lunne” genoemd. De naam van de rivier was “Hassa”, wat “donker water” betekent, en op deze manier kwam de naam “Haseluenne” tot stand.
In 834 besloot keizer Ludwig de Pious, regent en zoon van Charlemagne, dat het klooster Corvey met al zijn eigendommen de stad Meppen toebehoorde. Dit betekende ook de kerk en het landgoed Lunni.
De geschiedenis van Haseluenne werd sterk gevormd door het klooster "Corvey" en de "Burgmaenner" van Schatte en Monnich. In de buurt van de ingang van het dorp bouwde de heer von Schatte het kasteel "Schwakenburg", welke al dateert uit 1336. Later bouwde de heer von Monnich het landgoed "Eickhoff" aan de achterkant van het dorp.
Hoe dan ook, het lijkt er op dat de "Burgmaenner" van von Langhals de stichters waren van de Schwakenburg. Op 4 december 1439 verkocht ene Claus von Langhals het Schwakenburg voor 100 gulden aan Engelbert von Langen. Enige tijd later nam de heer von Schatte bezit van het landgoed. Hij had geen kinderen en toen hij overleed namen de heren von Langen het bezit over. De zuster van de heer Engelbert, Gertrud, was getrouwd geweest met de heer von Langen van Meppen en Kreyenborg (vlakbij Lehrte). Hun oudste zoon Rolf von Langen werd beloond met de schatten van Lehen en werd zo in 1458 eigenaar van het landgoed Schwakenburg.
In de periodes van oorlog die volgden werd de Schwakenburg plat gebrand tijdens een invasie van de graaf van Oldenburg in 1538. De toenmalige eigenaar Andreas von Langen ontving geen enkele verliescompensatie.


1538 wurde die Schwakenburg von den Grafen Anton und Christoph von Oldenburg im Zuge einer Fehde gegen das Stift Münster völlig zerstört und niedergebrannt,
1544 mit dem Hof zu Brahe belehnt; zie hiervoor zijn vader Engelbert II von Langen en zijn grootvader Engelbert I von Langen [die kocht het Hof Brahe in 1436].
Erbe des Bur- und Holzgericht der Mehringer und Hemelter Mark und der Emsfischerei zu Mehringen



 


Christian, de eerste zoon van Andreas von Langen, wordt herhaaldelijk een 'bastaard' genoemd, en hij ontvangt geen van zijn vaders goederen na zijn dood (zoals gebruikelijk is bij onwettige afstammelingen van de adel). Christian's moeder is onbekend en was niet getrouwd met Andreas von Langen. Zijn wettige zoons die zouden volgen hebben daarentegen wel van hem geërfd.


Der Elekt von Münster, Wilhelm, belehnt Herbort van Langen tor Swakenborch, Sohn des Andreas, behufs seiner Person und seines Bruders Hinrick mit der Woestenmollen, mit Bengenhues, jetzt gen. Benenhues to Loeden, Ksp. Holte, mit dem halben Zehnten zu Hamm, Ksp. Haselünne, mit dem Fobbe Fien, Henneken kotte to Backhorden, Ksp. Herßlike, mit dem Viertelzehnten zu Heeden im Kirchsp. Haselünne, mit Bolenhues, jetzt gen. Lubbert Schultsen Hues to Leyde, Ksp. Aschendorf, mit des Meyers Erbe zu Ahusen, Ksp. Essen vor Quakenbrück, mit dem Burglehn zu Fresenberge, mit der Rente über das Langenhues und Kotkroleueshues, zu Andorpe, zubehörig dem Burglehn zu Haselünne [12-09-1555].
 
Bischof Johann von Münster, Administrator zu Osnabrück, Postulierter zu Paderborn, belehnt Herbert von Langen zur Schwakenburg, Sohn des + Andreas, auch zu Behuf seines Bruders Henrich mit der Woestenmollen, mit Bungenhues, jetzt genannt das Benenhauß zu Loedenn, Ksp. Holte, mit dem halben Zehnten zu Hamen, Ksp. Haselünne, mit dem Fobbenfien Henneken Kotten zu Backerde (Backherden), Ksp. Herzlake (Harßlicke), Gericht Haselünne, dem Viertelzehnten zu Heeden im Ksp. daselbst, mit Belenhus, jetzt genannt Lubberten Schulten Haus zu Leide, Ksp. u. Gericht Aschendorf, mit des Meiers Erbe zu Ahausen, Ksp. Essen vor Quakenbrück, mit dem Burglehn zu Fresenberg, einer Rente über das Langenhaus und Kottroleveshaus zu Andorpe, gehörig zum Burglehn Haselünne. Unterschr. des Joh. Tegeder [21-06-1568].
 
Die Verordneten der Regierung des Stifts Münster belehnen den Heinrich von Langen zu Schwakenburg, weiland Andreas Sohn, mit der wüsten Mühle, mit Bengenhaus, jetzt Benenhaus genannt, zu Loeden, Ksp. Holte, mit dem halben Zehnten zu Hamm, Ksp. Haselünne, mit Fobben Fyen Henneken Kotten zu Bakherden Ksp. Harßlike (Gericht Haselünne) , mit 1/4 Zehnten zu Heeden, mit Belen Haus, jetzt genannt Lubbert Schulten Haus zu Leide, Ksp. u. Gericht Aschendorf, mit Meiers Erbe zu Ahausen, Ksp. Essen vor Quackenbrück, mit dem Burglehn zu Fresenberge, mit der Rente über das Langenhaus u. Kotte Roleves Haus zu Andorpe, gehörig zum Burglehn Haselünne. Z.: Ludger von Raßfeld, zu Wolbeck u. Sassenberg Drost, und Veit Erlens, Sekretär [30-09-1579].


Religie: Katholiek
Andreas had omstreeks 1505 een relatie met
51313 - Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51313 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. N. is overleden na 1505 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind van Andreas en N.N.:
I. Christian von Langen [Gen. 15 Nr.: 25656 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25656)
51314 Nikolaus (Claes) Kerstiens [Gen. 15 Nr.: 51314 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1470 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Notitie bij de geboorte van Nikolaus: Geboren um 1470
Nikolaus is overleden ca 01-01-1541 Sögel Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 71 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Nikolaus: Gestorben nach 1530
Notitie bij Nikolaus: Richter auf dem Hümmling [1516 (Pfingstabend) Ein geschworner richter auf den Hümmling]. Stiftet 1516 und 1517 noch heute vorhandene Glocken für die Sögeler Kirche.







De neogotische hallenkerk St. Jakobus (Sögel) met een veelhoekig koor, transept en ingebouwde kerktoren in het westen werd in 1867-1871 (!) gebouwd op de plek waar in 1482 bouwmeester Wacker eerder een kerk had gebouwd. De hertogelijke Arenberg-bouwinspecteur Josef Niehaus was sinds 1844 als deskundige betrokken en had plannen om de zogenaamde 'Wackerkerk' uit te breiden met een uitbreiding naar het oosten. Door bouwvalligheid en ruimtegebrek besloot de parochie uiteindelijk tot de bouw van een nieuwe kerk.

De toren uit 1867 was oorspronkelijk hoger. De gebroeders Hensen voerden de bouw uit tot 28 december 1868, wanneer een tragedie toesloeg toen de bouw al in volle gang was; een orkaan blies over de torenhelm waardoor deze door het gewelf van het middenschip brak en de toren instortte.

Op de bovenste verdieping, achter de klankbogen, bevindt zich het huidige belfort, waarin zich vier kerkklokken bevinden, de oudste werd rond 1280 gegoten, nog twee in 1516 [die geschonken werden door Nikolaus Kerstiens] en de jongste in 1518.


Beroep: Richter (Richter auf dem Hummling); 09-03-1530 gibt Richteramt an seinen Schwiegersohn ab [Christian von Langen Gen. 15 Nr.: 25656 STAMOUDGROOTOUDER].
Religie: Katholiek
Hij trouwde met:
51315 Lummeke Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51315 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. N. is overleden na 1505 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind van Nikolaus en N.N.:
I. Lummeke Kerstiens [Gen. 15 Nr.: 25657 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25657)
51328 Johann van Groningen [Gen. 16 Nr.: 51328 STAMOUDOVERGROOTOUDER]
, geboren omstreeks 1460 in Niederlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Johann is overleden na 1534 in Niederlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 74 jaar oud.
Notitie bij overlijden van Johann: Gestorben nach 1534 in Niederlangen, urk. 1492-1534.
Notitie bij Johann: Johann uit Groningen vestigt zich rond 1500 in Niederlangen aan de Ems ongeveer op de hoogte van Ter-Apel. Waarschijnlijk raakte beschikbare landbouwgrond in het Groningse land uitgeput en zocht men langs de randen van het grote Boertanger moeras mogelijkheden een boerenbedrijf te beginnen.In Dalen bij de vesting Coevorden waren het meende men Friezen (maar in werkelijkheid ook Groningers) die de jaloezie opwekten van autochtone bevolking vanwege de kundigheid waarmee ze hun beroep uitoefenden. Door een wat betere waterafvoer was al gauw langs rivieren en riviertjes wat land te winnen.
Johann van Groningen en de vroege nazaten hadden een complete boerderij met opstal, gebouwd op 9 "molsaat" land eigendom van het klooster "Corvey" in Lathen. Bovendien hadden ze ook rechten in de mark. Er waren in Niederlangen 8 hofsteden. Aan de "Corvey" was men "huur" verschuldigd, die werd afgedragen in natura. Ze bedroeg veelal:
2 Schepel haver "haufemass" (maatvat met kop)
Bepaalde diensten voor het Corvey
1 Varken.
1 Rund
1 Ram
1 Herbstschatz
Afgeleid uit het bezit aan levende have in de hierna volgende jaren boert Johann voor die tijd heel goed:
1537 1545
Paarden 4 7
Koeien 3 7
Runderen 1 8
Varkens 1 6
Ossen - 2
Hooi - 10 voer
Het gaat in veel geslachten goed tot dat rond 1700 de gezinnen uitbreiden en er geen land beschikbaar komt. Een oplossing wordt gezocht in het ambacht met name in het smederij beroep.Vanuit Niederlangen migreert de familie in zuidelijke richting naar Oberlangen en Wesuwe om elkaar niet te beconcurreren.Het stamhuis in Niederlangen blijft een aantal generaties door Grönningers bewoond tot een mannelijke erfgenaam in een oorlog sneuvelt.

Religie: Katholiek
Hij trouwde ongeveer 39 jaar oud. Het kerkelijk huwelijk vond plaats omstreeks 1499 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation met:
51329 Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51329 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. N. is overleden na 1499 in Niederlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij overlijden van N.: gestorben nach 1499 in Niederlangen, urk. 1499
Kind van Johann en N.:
I. Hermann van Groningen [Gen. 15 Nr.: 25664 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25664)
51456 Nomen Nescio Eenhus [Gen. 16 Nr.: 51456 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1465 in Oberlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. N. is overleden na 1499 in Oberlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 34 jaar oud.
Notitie bij overlijden van N.: Gestorben nach 1499
Religie: Katholiek
Hij trouwde met:
51457 - Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51457 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. N. is overleden na 1499 in Oberlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij overlijden van N.: Gestorben nach 1499
Kind van N. en N.:
I. Johann Eynhuis [Gen. 15 Nr.: 25728 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25728)
51520 Johann Smyt [Gen. 16 Nr.: 51520 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1470. Johann is overleden in 1524 in Niederlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 54 jaar oud. Hij trouwde met
51521 - Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51521 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. - is overleden.
Kind uit dit huwelijk:
I. Dirich Smidt [Gen. 15 Nr.: 25760 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1500 in Niederlangen Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 25760).
51584 Coert ton Rupenneste [Gen. 16 Nr.: 51584 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren in Rupenest Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Coert is overleden na 1534 in Rupenest Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij Coert: Urk. 1499-1534 Zijn vader wordt in de oorkonde van 1499 als "pater" aangeduid.
1534 Leibzüchter
Religie: Rooms KatholiekHij trouwde met
51585 - Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 51585 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Kind uit dit huwelijk:
I. Segebert ton Rupenneste [Gen. 15 Nr.: 25792 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1490 in Rupenest Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 25792).
51616 Hinrich Tolen [Gen. 16 Nr.: 51616 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1510 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Hinrich is overleden na 1568 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 58 jaar oud.
Religie: Katholiek
Hij trouwde met:
51617 Geseke N. [Gen. 16 Nr.: 51617 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. Geseke is overleden na 1568 in Fresenburg Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind van Hinrich en Geseke:
I. Hinrich Tolen [Gen. 15 Nr.: 25808 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25808)
51648 Tole ton Stroen [Gen. 16 Nr.: 51648 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1505 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation. Tole is overleden na 1582 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 77 jaar oud.
Religie: Katholiek
Hij trouwde met:
51649 Lummeke N. [Gen. 16 Nr.: 51649 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. Lummeke is overleden na 1568 in Ströhn Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Religie: Katholiek



Reinhard, Abt, Marcellus, Prior, Henricus, Senior, Johannes, Kellner, Johannes, Küster, und das ganze Kapitel des Stifts Corvey überlassen dem Tolen zum Stroem und dessen Hausfrau Lammeken des stiftlische Erbe und Vogtgut zum Stroem [Ströhn?, bei Lathen] im Kirchspiel Lachem [Lathen?, in der Nähe von Meppen], im Amt Nyenhauss [wahrscheinlich herrührend von der verschwundenen Burg Nienhaus bei Aschendorf], im Stift Münster, gegen jährlich sechs Taler zu St. Michaelis [Sep. 29]. Am tage ascensionis domini [19-05-1569].


Johann Schwencke [?] zu Düthe, Richter des Bischofs Johann [II. von Hoya] zu Münster, Administrator der Stifter Osnabrück und Paderborn, bekundet, dass sich Tole von Stroden und dessen Frau Lummecke auf Grund der eingerückten Urkunde des Abts Reinhard von Corvey des Datums 1569 Mai 19 wegen des Guts Stroem [Ströhn?] im Kirchspiel Ledhen [Lathen?, in der Nähe von Meppen] und Amt Neuwenhauss [wahrscheinlich herrührend von der ehemaligen Burg Nienhaus bei Aschendorf], im Amt Emesslande [Amt Emsland; synonym für Amt Meppen], im Stift Münster, reversieren. Zeugen: Hermann von Velen, Marschall und Drost im Emsland von Bevergern und Rheine (Rhene), Engelbrech von Langen zur Kreyenbergh [Kreyenborg], Richter zu Haselünne, Claess von Duthe [Düthe], Everdt Tornigh und Herman Kock, Rentmeister im Emsland [02-12-1571].


Die Ströhner Mühlen

In diesem Zusammenhang soll auch an eine Mühle gedacht werden, die es schon seit fast 150 Jahren nicht mehr gibt. Ein Mühlsteinrest verrät dem kundigen Wanderer den ehemaligen Standort auf dem Krankenhausberg am Ströhner Kirchweg. Die Initialen BL 1540 deuten auf den damaligen Besitzer Berent Langen, Küster in Lathen. Er hatte das Nießbrauchrecht an der Mühle, die zu dieser Zeit zum Ströhn gehörte, für 100 Taler übernommen. Die Besitzer des Hofes, eine Witwe Lummeke, war nicht in der Lage, diese Summe pünktlich an den Küster zurückzuzahlen. So gelangte die Mühle in den Besitz der Familie Langen. Später heiratete ein Wolbeck in diese Familie ein und gab ihr dann seinen Namen.


Kind van Tole en Lummeke:
I. Hermann ton Stroen [Gen. 15 Nr.: 25824 STAMOUDGROOTOUDER] (Zie 25824)



53396 Konrad (Cord) von Vietinghoff genannt Scheel [Gen. 16 Nr.: 53396 STAMOUDOVERGROOTOUDER]. Cord is overleden na 1503.
Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met [1477 - "Coirt van dem Vitynchove genannt Schele urkundet über den Brautschatz seiner Ehefrau Bathe, Tochter des seligen Neveling Stael von Holstein und der Merne"]




 
Cordt (Coirt) von dem Vittinghoff (Vitinchove) gen. Schell (Schele) macht bekannt, daß er Bathe, Tochter des Neveling(-linck) Stael (Stail) von Holstein und dessen Frau Maria (von Eickel), zur Ehefrau genommen hat. Wenn Bathe ohne gemeinsame Leibeserben stirbt, kann Cordt die von ihr mitgebrachten 900 Gulden Brautschatz behalten und auf Lebenszeit nutzen. Nach seinem Tod sollen jedoch seine Erben die gen. 900, Gulden an die Erben Bathes innerhalb von Jahr und Tag zurückgeben. Es setzt dafür als Bürgen seinen Bruder Bernd von Vittinghoff gen. Schell, Johann von dem Vittinghoff gen. Schell, Arnts Sohn, und Gerdt von dem Loe. Erfolgt die Rückzahlung nicht, so verpflichten sich die Bürgen auf eine Mahnung hin zum Einlager in Essen oder Dortmund mit je zwei Pferden und einem Knecht. Geschieht das nicht, können die Erben an geistlichen oder weltlichen Gerichten gegen sie vorgehen und Pfänder nehmen. - Es siegeln der Aussteller, Bernd und Johan Schell (Schele) sowie Gerdt van dem Loe. - Gegeven ... op ten andern sondach na alle godes hilligen [09-11-1477].




Stiften am 1487 die Eheleute in Rellinghausen ein Gasthaus, Hospital und Herberge für arme Leute, wandernde Scholare und Pilger, das heute unter dem Namen "Alte Dorfschenke" als Gaststätte betrieben wird.

Sie bot armen und gebrechlichen Leuten sowie fahrenden Handwerksburschen und Scholaren kostenlose Unterkunft und Verpflegung.


53397 Bertha [Bate] Staël von Holstein [Gen. 16 Nr.: 53397 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1455.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Johann von Vietinghoff genannt Scheel [Gen. 15 Nr.: 26698 STAMOUDGROOTOUDER], geboren in 1480 (zie 26698).




 
IX. 4. Bathe (Bertha) Stael von Holstein, & 1474 Cord von Vittinghoff gt. Schell


53398 Adrian Sobbe [Gen. 16 Nr.: 53398 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1440. Adrian is overleden op 02-09-1520 in Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 80 jaar oud.
Notitie bij Adrian: Heer van Grimberg en Ferstinchuis, Herr auf Haus Leithe bei Buer.




 
 
Geschil tussen de Landcommandant van de Duitse Orde Heinrich van Bodelschwingh en Rutgervande Horst enerzijds en Adrian Sobbe van naar de Grimberg anderzijds vanwege de aanleg van een Emschersloot (1501)   Overeenkomst tussen Johann van der Horst, landcommandant van de Duitse Orde Heinrich van Bodelschwingh en Adrian Sobbe van naar de Grimberg over de aanleg van een Emschergracht tussen de Hagen en de Brinkwiese erachter naar de Grimberg (25-06-1512).


Bernd von Westerholt, Sohn des + Hermann, macht 28-04-1508 bekannt, daß er von Abt Anton zu Dienstmannsrecht erhalten hat die große und kleine Brinckhove und das Gut zu Westerhassel, alle im Kirchspiel Buer, sowie die Güter und Hufen der Hälfte des Dorfes Buer, die früher die Sobbe von Ulenbroick innehatten, dann zu Mannlehenrecht die Masthove im Kirchspiel Recklinghausen. Bernd hat eidlich gehuldigt in Anwesenheit Adrian Sobbes van dem Grimberge, Bernds und Johanns van dem Vittinghoff gen. Schell (Schele), Goerdts von der Hair gen. Hetterman und des Bürgermeisters in Werden Gottfried von Münster.


Schloss Grimberg

Schloss - Grimberg war ein Wasserschloss im Gelsenkirchener Stadtteil Bismarck an der Stadtgrenze zu Wanne.


Urk. 1465-1520, Klevischer Drost zu Essen.

1465 Ehevertrag zwischen Adrian von Sobbe und Jutte von Lutzenrode
1480 Erschlägt seinen Nachbarn den Ritter Diedrich von Backem
1481 kauft Adrian das Gut genannt Nalberenhusen in Amt Bochum vom Karthäuser Robert von Beck
1481 feindlicher Zugriff Dietrich Steckens u. Adrian Sobbes in der Herrlichkeit Lembeck, wo sie etliche Rinder mitnehmen und durch die Lippe nach Gahlen getrieben haben
1481 bekennt Johann von Sevenar, Ritter zu Essen, dass die Eheleute Sobbe das Gut Albershusen mit aller Zubehör u. Gerechtigkeit erblich gekauft haben
1484 versieht die Äbtissin von Essen ihn mit dem Ahegut, das zum Oberhof Brockhof gehört
1485 von Dietrich von Horst mit dem Haus Hüllern belehnt
1486 bekundet Wilhelm von Limburg, herr zu Styrum, dass er ihn mit den Gütern zu Alleman u. Hessler belehnt habe
1487 verzichtet Balser v. Eckel zu seinen Gunsten auf das Lovegut to Heßeler
1487 belehnt Wilhelm von Limburg ihn mit dem Gute to Aelen u. Heßeler
1487 nimmt Hg. Wilhelm v. Jülich ihn als seinen Diener an und bestimmt ihm ein Fuder Wein oder statt dessen 25 rh. Gulden als Besoldung
1488 kauft von Godert Pinsequaet den vierten Teil des Gutes Hüllen
1492 Zwei Kaufbriefe über das Gut Ferstinchuis für Adrian Sobbe und Albert seinem Sohn
1493 kauft von Heinrich Reinarz dessen Güter zu Bocken
1493 behandigt ihn die Äbtissin voon Essen mit dem Destenhoffe zu Hüllen
1501 bekennt von Junker Adolf von Limburg, Herr zu Styrum, das Gut Ahlen und das Gut Lohmann zu Heßler als Lehen empfangen und darüber Huldigung und Treueeid geleistet zu haben



Adrian Sobbe vom Grimberg macht bekannt, daß ihn Abt Anton mit den Gütern Silberkule (Silver-) und Molengut (-guet) bei Rüttenscheid und dem Gut Vruchtwinckel im Kirchspiel Wattenscheid belehnt hat. Er hat gehuldigt im Beisein des Ritters Johann von Altenbochum, des Drosten von Werden Jorien Asschebroick, Hardenberg Stael von Holstein und Johannes von der Lippe. - Es siegelt Jorien Asschebroick. - Gegeven ... up donresdach nest na dem sonnendage Quasimodogeniti [07-04-1502].


1503 verkauft ihm Gf. Johann v. Kleve für Treue Verdienste den Schledinckhof
1504 verspricht ihm Gf. Johann v. Kleve 137 Gulden, die er in der Gelderischen Fehde für ihn ausgelegt hatte
1504 verkauft die Silverkule to Rüddenscheid an die Scholastersche Irmgard von Diepholt
1506 erbt eine Wiese von Hermann von Wendt, kauft 1506 von Gerhard von der Leyten sein Gut und Kotten binnen der Landwehr von Bockum gelegen



Albert Sobbe vam Grimberghe macht bekannt, daß ihn Abt Anton mit den Gütern Silberkuhle und Moelengut im Stift Essen und den dazu gehörenden Kotten belehnt hat, welche er von der Scholasterin des Stifts Essen Ermgard, Edeltochter von Diepholz, gekauft hat. Er hat gehuldigt im Beisein von Adrian Sobbe vam Grimberge, Johann Schelle, Hinrich Kroese (Kroezen), Gottfried Garthaus (-huis) von Münster. - Es siegelt der Aussteller. - Gegeven ... up fridach neist cineris daghe [19-02-1507].


1509 überträgt dem Hg. Johann v. Kleve tauschweise die Hückenshove mit 3 Kothen zu Brenich im Gericht Castrop gegen den Hof zu Colck im Gerichte Beckum



Adrian Sobbe von Grimberg, überträgt dem Herzog Johann von Kleve, tauschweise gegen den Hof Colk im Kirchspiel Heren, die Hünekens Hove mit 3 Kothen zu Bernick im Gericht Kastrop. d. Freitag nach Jacobitag [27-07-1509].


1510 Erbkaufbrief über Gut Sandfort zwischen Käufer Adrian Sobbe und Verkäufer Johann von Aldenbockum
1513 belehnt ihn Gf. Johann von der Mark mit dem Lehen u. Offenhaus zu Grimberg und 28 rh. Gulden aus dem Hofe Vrolynen
1517 überläßt ihm Hg. Johann v. Jülich-Berg bis zur Tilgung seiner Schulden weiterhin die Einkünfte aus dem Hofe zu Nienhusen



Es sei bekannt, daß zwischen Abt Johann einerseits, dem Junker Wirich von Daun, Grafen zu Limburg andererseits, Johann von Hugenpot auf der 3. Seite ein Streit wegen der Fischerei in der Ruhr zwischen Kettwig und Saarn von Adrian Sob[be] von dem Grimberg und Wilhelm de Grove als Schiedsleuten des Abts, Bernd von Heiden und Wenemar von der Recke als Schiedsleuten Wirichs von Daun geschlichtet worden ist. Der Abt wird danach in den folgenden vier Jahren zulassen, daß die Fischer Wirichs und Johanns gemeinsam mit seinen Fischern mit Schleppnetzen sowie dem Anlegen von Kuhlen und Siegen fischen (mit seghen, driven, silen und kulen slain), wie sie es vor dem Abschluß dieses Vertrages getan haben. Falls die Fischer in den kommenden vier Jahren sich nicht vertragen, sollen sie weiter nur mit Schleppnetzen auf und ab fischen, wie es von früher her üblich war, ohne Pfähle, Kuhlen oder Siele anzulegen oder Burden oder Körbe zu legen oder mit speziellen Netzen zu fischen (fuken, isdoecken), doch bleibt Johan ein Korb vorbehalten. Was zusammen an Fischen gefangen wird, sollen sie teilen. Wirichs Fischer erhalten die Hälfte, die andere Hälfte teilen die beiden anderen Parteien. Nach Ablauf der vier Jahre bleiben allen Parteien ihre Rechte vorbehalten. Anwesend waren der Drost zu Bocholt Rutger von Diepenbroick, Heinrich von Eickel, Rupert und Lutter Stael. - Es siegeln die Parteien. - Gegeven ... up donderdach na dem hl. paschedage [28-04-1519].


1520 belehnt ihn Abt Johann von Werden mit Vruchtwinckel in Ückendorf, Ksp. Wattenscheid
Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde 27-03-1465 met



In Gegenwart von dessen Hausfrau Mechtild von Eickel: "Als Diderick v. Backum auf Sankt Tönnestag nach Buer zur Kirche wollte und in einem Schlitten fuhr, wurde er auf dem Wege nach dorthin totgeschlagen und seine Hausfrau durch den Arm gestochen. Das hat [Adrian] Sobbe von Grimberg getan! Als aber Sobbe vor seines Vaters Haus kam, hat sein alter Vater, über die Tat betrübt, ihm "dat Huyß them Grymberch to laten sluten". Zum Gedenken an diese böse Tat wurde ein noch heute existierendes Sühnekreuz für das Opfer aufgestellt, auf den Täter wartete nach seinem Tod Grausames: die "ewige Sühne" sieht vor, dass an jedem ersten Vollmond im Jahr Adrian von Sobbe eine Geisterfahrt durch die Lüfte auf einem von einem achtbeinigen Schimmel gezogenen weißen Schlitten beginnen muss, drei Dornenranken sind sein Sitz und auf dem Weg erwartet ihn Gruseliges. Eine Sage beschreibt die Geisterfahrt so:
"In der Nacht des ersten Vollmondes in jedem neuen Jahre stand, wenn die Uhr zwölf schlug, im Schlosshof zu Grimberg ein Gespennsterschlitten. Er war weiß wie der Schnee, und seine Form war die eines Schwanes. Auf dem Sitzbrett im Schlitten lagen anstatt eines Polsters drei Brenn-Nesseln, und als Gespann war ein weißes Pferd mit acht Beinen vor dem Schlitten.
Alsbald öffnete sich die große Tür des Herrenhauses, und heraus trat, mit einem glühenden mächtigen Schwert in der Hand, der vermummte Ritter von Grimberg. Während er in den Schlitten stieg, ertönte aus der Tiefe des großen Rundturmes ein herzzerreißendes Jammern und Stöhnen. Kaum war der Ritter in den Schlitten gestiegen, so begann eine tolle Fahrt über Weg und Steg, Stock und Stein, auch hoch durch die Luft über Busch und Baum. In der Linken hielt der Ritter den Pferdezügel, und mit der Rechten schwang er statt der Peitsche sein glühendes Schwert.
Zuerst ging die Fahrt durch die Grimberger Allee, dann über den Bleck am Hofe des Grimberger Fronen vorbei, dann über die Emscherbrücke in den Resser Busch. Zwischen Haus Leythe und dessen Mühle ging es wie der Wind dahin nach der Landstraße, rechts an Schloss Berge vorbei bis über die Höhe des Berges. Da wo der Berg hinter Schloss Berge sich senkt, blieb plötzlich das Gefährt stehen. Mitten auf dem Wege stand da im Vollmondschein ein in blutrotem Glanze erstrahltes mannshohes Kreuz, und auf dem Kreuz stand eine Schwarzgekleidete und tief verschleierte Frau. Sie reckte drohend den entblößten linken Arm empor, von dem Blut herniederrieselte auf das Kreuz. Und jeder Blutstropfen ward alsbald zu einem feurigen Flämmchen.
Das Pferd stutzte, bäumte sich auf und wollte keinen Schritt weiter jagen. Der Ritter zuckte am Zügel, schwang sein glühendes Schwert und schlug zornig nach dem Pferd. Da wandte sich dieses und riss den Schlitten mit herum, - und weiter ging die sausende Nachtfahrt, jetzt vor dem Kapellchen des Schlosses Berge vorbei, weiter durch die Darler Heide und nach dem Haus Balken in Sutum. Dieses Haus wurde dreimal von dem Gefährt in der Luft umkreist. Währenddessen stieß aus der Höhe ein roter Adler hernieder und gerade auf den Ritter los. Ehe dieser es sich versah, hatte sich der Adler schon mit seinen scharfen Krallen an des Ritters Hals und Brust eingeschlagen. Mit kräftigen Hieben hackte er mit seinem Schnabel des Ritters linkes Auge aus. Vor Schmerz stieß der Ritter einen grässlichen Fluch aus. Nach der dritten Umkreisung des Hauses Balken ging die rasende Fahrt weiter nach der Emscher, über die alte "Brügge" hinüber und am "Diek" vorbei, nach dem Hause in der "Rodung" und weiter nach dem Hause Dinsingh. Auch dieses Haus wurde dreimal in der Luft umkreist. Während der dreimaligen Umkreisung hatte sich der Schwanschlitten in einen schwarzen verwandelt, er konnte sogar sprechen und rief dreimal laut: Kennst du mich?! Dann ging die Fahrt des wieder weiß gewordenen Schlittens weiter über die "Bredde" und über Pantaleonshof nach der Hüller Mühle.
In dem Augenblick, als der Schlitten über die Mühle sauste, ächzte das Mühlenrad schwer, und Tausende von Weizenkörnern fuhren wie ein Hagelwetter gegen den Ritter von Grimberg, und viele drangen auch in seine frische Wunde am linken Auge. Dadurch vergrößerten sich die Schmerzen des Ritters nur, und wieder stieß er einen grässlichen Fluch aus. Weiter ging die Fahrt in rasendem Galopp nach Bochum, und hier fuhr der Schlitten über den Kirchturm hinweg und dann auf dem kürzesten Weg nach dem Ufer der Ruhr. Hier wandte sich der Schlitten nach links und folgte dem Fluss stromaufwärts bis nach Schwerte. Da drehte sich der Schlitten nach rechts und fuhr geradewegs auf das Wasser der Ruhr. In der Ruhr entstand unter dem Schlitten ein Strudel, und das Gefährt samt Ross und Ritter ward in den gurgelnden Wirbel des Flusses hinabgerissen. Der Ritter hob zuletzt noch sein glühendes Schwert in die Höhe. Als dann auch dieses hinabtauchte und der glühende Schwertstahl von dem eiskalten Wasser berührt wurde, zischte es auf, und ein Dampfwölkchen stieg in die Höhe, hinauf in die Vollmondnacht.
Von dem Schlitten, dem Ross, dem Ritter und dem Schwert ward nichts mehr gesehen. Die Turmuhr in Schwerte hatte soeben mitternächtig eins geschlagen. - Bei jedem ersten Vollmond in jedem neuen Jahre wiederholt sich dieselbe tolle Fahrt."
(Unveröffentlichtes Manuskript von Heinrich Lührig: Der große Herner Sagenschatz, Eine Sammlung von Sagen, Legenden, geschichtlichen Ereignissen und schelmischen Erzählungen, Nach Überlieferungen aus schriftlichen und mündlichen Quellen zusammengetragen und bearbeitet. Eickel 1999. S. 57 ff.)


53399 Jutta von Lützrat [Gen. 16 Nr.: 53399 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1445.
Notitie bij Jutta: Von Lützrat / Von Lützerode.
Zu Seelscheid.
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Ursula Dorothea Sobbe [Gen. 15 Nr.: 26699 STAMOUDGROOTOUDER], geboren in 1485 (zie 26699).




 

Link naar Karel de Grote



53400 Henrich Froelyng [Gen. 16 Nr.: 53400 STAMOUDOVERGROOTOUDER], geboren omstreeks 1475. Henrich is overleden op 12-11-1562 in Wetter, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation, ongeveer 87 jaar oud.
Religie: Rooms Katholiek
Hij trouwde met
Tryn Nomen Nescio
Notitie bij het huwelijk van Henrich en Tryn: Een stuk grond gelegen in het Welper Feld aan de Honsbecker Kerckwege, tussen Henrick Vroelynges en Johan Gezen uitlener.
Bezat een huis op het marktplein in Hattingen in 1535.
53401 Tryn Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 53401 STAMOUDOVERGROOTOUDER].
Religie: Rooms Katholiek
Kind uit dit huwelijk:
I. Arndt Märker genannt Fröhling [Gen. 15 Nr.: 26700 STAMOUDGROOTOUDER], geboren omstreeks 1498 (zie 26700).



54008 Hermann von Weiffenbach [Gen. 16 Nr.: 54008 STAMOUDBETOVEROUDER]. Hermann is overleden vóór 10-03-1509 in Marburg-Biedenkopf, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Notitie bij overlijden van Hermann: Tussen 1504-1509 overleden.
Notitie bij Hermann: Hermann Weiffenbach/Weiffenbecher, d.Ä., Bürger Marburg, urk. 1468-1503.
Beroep: 1481-1503 landgräfl. Schultheiß
Beiname: der Ältere. Q.: Herr Lichau. Auch genannt "Weiffenbecher". Genannt ab 1468 in Marburg. Bürger und landgräflicher Schultheiß in Marburg. Herr Jahn: 1468-1503 Schultheiß in Marburg; + vor 10. März 1509.




 


Hij trouwde met
54009 Anna Nomen Nescio [Gen. 16 Nr.: 54009 STAMOUDBETOVEROUDER]. Anna is overleden in 1535 in Marburg-Biedenkopf, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation.
Kind uit dit huwelijk:
I. Eberhard von Weiffenbach [Gen. 15 Nr.: 27004 STAMOUDOVEROUDER], geboren omstreeks 1470 in Marburg, Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation (zie 27004).



VERVOLG

ZIE GENERATION XVI bis



NAAR BOVEN / TO TOP OF PAGE